Conclusie
2.Bespreking van de incidentele vordering
overeenkomstiggelden voor de vordering bedoeld in art. 235 Rv Pro. Dat betekent dat de hiervoor onder (iv) genoemde regel in het kader van art. 235 Rv Pro niet één op één moet worden toegepast, maar overeenkomstig de bedoelde strekking. Een overeenkomstige toepassing van het onder (iv) bepaalde brengt mee dat een incidenteel eiser met betrekking tot een vordering tot zekerheidstelling op de voet van art. 235 Rv Pro slechts nieuwe feiten en omstandigheden aan zijn vordering of verzoek ten grondslag moet leggen indien in de vorige instantie een gemotiveerde beslissing is gegeven over het verbinden van de voorwaarde van zekerheidstelling aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Indien en voor zover ISG iets anders afleidt uit rov. 3.2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2019, is dat ten onrechte. In die zaak was overigens wél sprake van een in hoger beroep gedaan verzoek tot zekerheidstelling.