Conclusie
1.Aanduiding partijen en korte omschrijving zaak
IPMI klaagt in cassatie onder meer dat het hof niet expliciet de eis had gesteld dat een schriftelijke depotovereenkomst moest worden gesloten en dat zij daarom ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
2.Feiten en procesverloopFeiten
[verweerster] , voorheen: [A] BV geheten, is onderdeel van de [B] Group, die bestaat uit verschillende vennootschappen dat actief is in de fabricage van afsluiters en halffabricaten.
Procesverloop [2]
€ 4.845.097,38 aan betalingen heeft voldaan, maar slechts materialen heeft ontvangen ter waarde van € 1.588.928,98. In verband met handelssancties die zijn opgenomen in de Sanctieregeling Iran 2012, zijn de overeenkomsten met [verweerster] volgens IPMI nietig op grond van art. 3:40 lid 2 BW Pro en heeft zij tot een bedrag van € 3.256.168,40 onverschuldigd betaald, althans is [verweerster] tot dat bedrag ongerechtvaardigd verrijkt. [4]
Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna IPMI een nota van repliek heeft genomen en [verweerster] heeft gedupliceerd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1, dat vier subonderdelen bevat, richt klachten tegen rov. 6.6 en 6.7 van het eindarrest, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
€ 25.754,50 is de zekerheidstelling namelijk niet voltooid omdat van de zekerheidstelling vanzelfsprekend onlosmakelijk deel uitmaakt een depotovereenkomst op grond waarvan de notaris in het in die overeenkomst omschreven geval een claim van [verweerster] onvoorwaardelijk dient te honoreren. Dat dit in het dictum van het tussenarrest niet uitdrukkelijk met zoveel woorden is vermeld, betekent niet dat IPMI thans met succes kan betogen dat een depotovereenkomst onnodig is. In eerste aanleg heeft de rechtbank immers bij tussenvonnis van 11 januari 2017 IPMI in dezelfde bewoordingen bevolen om zekerheid te stellen voor de proceskosten in de vorm van een depotstorting op de derdengeldrekening van een Nederlandse notaris en IPMI heeft niet weersproken dat partijen destijds eveneens een depotovereenkomst hebben gesloten.
subonderdeel 1.2worden klachten gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.7 dat IPMI op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat reeds eind juli 2019 een (mondelinge) depotovereenkomst is aangegaan. Volgens het subonderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk. Daartoe wordt onder verwijzing naar de stellingen van partijen in de akte weigering zekerheidstelling en in de antwoordakte [13] , alsmede naar de vaststelling door het hof in rov. 6.6 dat IPMI tijdig het noodzakelijke bedrag op de rekening van de notaris heeft overgemaakt, aangevoerd dat er eind juli 2019 tussen partijen overeenstemming bestond over de inhoud van de depotovereenkomst en dat daarmee op dat moment een mondelinge depotovereenkomst tussen partijen is aangegaan.
subonderdeel 1.4dat het hof IPMI in de gegeven omstandigheden niet zonder meer niet-ontvankelijk had mogen verklaren in haar hoger beroep, maar een belangenafweging had moeten maken.
Op grond van art. 616 lid 3 Rv Pro zal de rechter daarnaast ook een termijn moeten bepalen waarbinnen – op straffe van verval van bevoegdheid – zekerheid moet worden gesteld, en een termijn waarbinnen deze zekerheid door de wederpartij moet worden aanvaard of geweigerd. Genoemde bepalingen vormen de twee formele vereisten voor het stellen van zekerheid.
Op de vorm van zekerheid is art. 6:51 BW Pro van toepassing. [15]
heeft deze conceptovereenkomst ondertekend aan de notaris toegezonden. [25]
onderdeel 2. De overige klachten van de subonderdelen van onderdeel 1 behoeven geen verdere bespreking.