ECLI:NL:PHR:2019:679
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest hof wegens onvoldoende bewijs voor opzet bij uitgifte valse bankbiljetten
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk uitgeven van valse bankbiljetten van vijftig euro, waarbij zij samen met een medeverdachte kort na elkaar in dezelfde winkel met valse biljetten betaalde. Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van de verdachte, medeverdachte, de winkelier en politieambtenaren, alsmede forensisch onderzoek dat bevestigde dat de biljetten vals waren.
De verdediging voerde aan dat de verdachte niet wist dat het geld vals was en dat er geen sprake was van nauwe samenwerking. Het hof oordeelde dat de verklaringen van verdachte en medeverdachte ongeloofwaardig waren en dat sprake was van gezamenlijke opzet en bewuste samenwerking.
De Procureur-Generaal stelt echter dat het hof onderdelen van de verklaringen gebruikte die het zelf ongeloofwaardig achtte, zonder deze als leugenachtig te bestempelen. Zonder deze onderdelen volgt uit het overige bewijs wel dat de verdachte en medeverdachte valse biljetten uitgaven, maar niet dat de verdachte opzet had op het uitgeven van vals geld.
Hierdoor faalt het bewijs voor medeplegen en opzet, en adviseert de Procureur-Generaal het arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen of terug te wijzen. De conclusie bevat geen gronden voor ambtshalve vernietiging buiten deze punten.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs voor opzet en medeplegen bij het uitgeven van valse bankbiljetten.