Conclusie
Nummer 19/05398
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
feit 1op 23 maart 2019 te Amsterdam in het openbaar mondeling tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, immers heeft zij, verdachte, meermalen de volgende woorden geroepen: “Als je Thierry dood wil schieten, zeg dan paf”;
1. De verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 9 april 2019.
3.2. Standpunt van de verdediging
viralzullen gaan.
Bespreking van het eerste en het tweede middel
eerstemiddel klaagt dat het hof ten onrechte het vonnis van de rechtbank heeft bevestigd, nu de rechtbank, door opruiing bewezen te verklaren, de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en/of op onjuiste, onbegrijpelijke, althans ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de uitlatingen van de verdachte opruiend zijn.
NJ2021/23 heeft Uw Raad opruien omschreven als ‘aansporen’. [5] Bij de beoordeling of de door een verdachte gedane uitingen aansporen tot enig strafbaar feit en dus ‘opruiend’ zijn in de zin van art. 131 Sr Pro, komt volgens Uw Raad betekenis toe aan de inhoud en de strekking van de gedane uitingen in hun onderlinge samenhang bezien, alsmede de context waarin deze uitingen aan het publiek zijn geopenbaard (rov. 3.4). [6] Enkele maanden eerder overwoog Uw Raad in HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:447,
NJ2020/240 m.nt. Keijzer dat het door het hof in die zaak tot uitdrukking gebrachte oordeel dat, afhankelijk van de omstandigheden, niet is uitgesloten dat ook een indirecte aansporing tot enig strafbaar feit kan worden aangemerkt als opruiing, niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting (rov. 3.5.2). [7]
NJ2010/22 was de tenlastelegging onder 2 toegesneden op art. 132, eerste lid, Sr. [8] De bewezenverklaring hield in dat de verdachte een geschrift waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid en waarvan hij ernstige reden had om te vermoeden dat in dit geschrift zodanige opruiing voorkwam op zijn website openlijk tentoon had gesteld. Het betrof de tekst: 'Liquidatie Balkenende dreigt. In de kringen van de redactie van […].nl wordt openlijk over de dood van Jan Peter Balkenende gesproken. Hoewel eigenrichting afgekeurd moet worden, is de standrechtelijke executie van Jan Peter Balkenende misschien wel de verstandigste beslissing. Hoe anders kan worden voorkomen dat Balkenende zich na de verkiezingen van 22 november 2006 voldoende gesteund voelt om de volgende 650.000 Irakezen te endlösen'.
abstract gevaarzettingsdelict, waarbij een gedraging wordt strafbaar gesteld die in algemene, niet nader in de delictsomschrijving gespecificeerde zin gevaar kan opleveren’. [11]
tweedemiddel klaagt dat het hof ten onrechte het vonnis van de rechtbank heeft bevestigd, nu de rechtbank op onjuiste of ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij met haar uitlating over Baudet zou aanzetten tot het plegen van een strafbaar feit en dat dus sprake is van voorwaardelijk opzet op opruiing. Het middel valt uiteen in twee deelklachten.
eerste deelklachtvoert de steller van het middel aan dat de gebezigde bewijsmiddelen inhouden dat de verdachte zich ‘eerst na haar uitingen, toen een verslaggever haar vertelde dat zij dit niet kan zeggen, realiseerde dat in Nederland ‘ooit’ een politicus is vermoord c.q. dat Fortuyn is vermoord en dat zij daar ten tijde van het roepen van de uiting niet aan heeft gedacht’. Nu de rechtbank heeft overwogen dat het niet geloofwaardig is dat de verdachte zich (ten tijde van haar uitingen) van het verband met de moord op Fortuyn niet bewust is geweest, is de bewijsvoering volgens de steller van het middel innerlijk tegenstrijdig.
tweede deelklachtwijst de steller van het middel erop dat de rechtbank heeft overwogen dat de verdachte ‘had moeten weten’ dat zij met haar uitlating zou kunnen aanzetten tot het plegen van een strafbaar feit en dat de verdachte ‘ongetwijfeld’ bekend was met de door de rechtbank genoemde voorbeelden van politiek geëngageerde activisten en politici die vanwege hun standpunten zijn doodgeschoten. Betoogd wordt dat de rechtbank uit een ‘had moeten weten’ en een bekendheid die ‘ongetwijfeld’ aanwezig was het voorwaardelijk opzet niet heeft kunnen afleiden. De steller van het middel wijst erop dat uit de enkele omstandigheid dat deze wetenschap bij de verdachte ‘aanwezig was of moet worden verondersteld’ niet zonder meer kan volgen dat zij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.
‘in the heat of the moment’is gaan meezingen’. Hij meent dat de meeste mensen ‘voor (voluit) zingen op de openbare weg een drempel (voelen), die in zeker groepsverband en ten gevolge van een zekere ontremming tijdens een demonstratie gemakkelijk wegvalt’. Het in die sfeer ‘klakkeloos overnemen van een door anderen bedachte songtekst’ zou steun geven ‘aan het door de raadsman bepleite ontbreken van bewuste aanvaarding van de hier bedoelde aanmerkelijke kans, nu die sfeer weinig of geen gelegenheid biedt tot directe bezinning op de precieze (contextuele) betekenis (…) van hetgeen men meezingt’.
in the heat of the moment’is gaan meezingen, noopten het hof niet tot nadere motivering van de bewezenverklaring, mede in aanmerking genomen dat de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [19]
Bespreking van het derde en het vierde middel
vierdemiddel, dat klaagt over het oordeel van het hof dat bij Baudet de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook gepleegd zou kunnen worden.
NJ2014/489 (randnummer 4.7) – dat een uiting die letterlijk het doden van een politicus inhoudt niet zonder meer toereikend is voor het aannemen van de voor bedreiging vereiste redelijke vrees. Het algemene historische gegeven van de moord op Fortuyn of andere politici verleent daarbij volgens de steller van het middel ‘de uiting ook niet per se contextuele betekenis, waardoor die (…) vrees wordt ingevuld’. De uiting in de onderhavige zaak zou zich hierdoor kenmerken dat ‘het doodschieten enkel als veronderstelling wordt uitgesproken’. De formulering zou dusdanig algemeen zijn dat ‘deze niet eens de vorm heeft van een eventualiteit, doch slechts van een bij anderen mogelijk veronderstelde aandrang, gevolgd door de suggestie om een aan stripverhalen ontleende term uit te spreken (‘paf’)’. De uiting zou naar haar vorm uitsluitend gericht zijn aan derden en nadrukkelijk niet een bedreiging inhouden met enige dodelijke handeling, te begaan door de verdachte of door een ander. De rechtbank zou bovendien ten onrechte geen aandacht hebben besteed aan de door de raadsman aangevoerde context van de uiting, die afbreuk zou doen aan de bedreigende aard (een demonstratie die een zekere ontremmende werking heeft en deelnemers kent die sneller ondoordachte dingen roepen; een sfeer van lacherigheid die kenbaar ‘niet-serieus’ was). Daarom zou het oordeel van het hof dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij Baudet in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet toereikend zijn gemotiveerd.
NJ2010/22 was onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte Jan Peter Balkenende heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door op de website van de verdachte de bij randnummer 14 weergegeven tekst te plaatsen. Het eerste middel klaagde dat de bewezenverklaarde bedreiging niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kon worden afgeleid.
derdemiddel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij Baudet in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Het middel valt uiteen in drie deelklachten.
eerste deelklachthoudt in dat de verwijzing van het hof naar de bewijsoverwegingen van de rechtbank geen toereikende respons vormt op het verweer van de raadsman dat de verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij Baudet in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, nu onvoldoende duidelijk is welke overwegingen uit het vonnis het hof precies voor ogen stonden.
tweede deelklachtvoert de steller van het middel aan dat blijkens de aanvullende overweging van het hof aan de verwerping van het hiervoor bedoelde verweer (kennelijk) mede ten grondslag ligt het oordeel van de rechtbank dat niet geloofwaardig is dat de verdachte zich ten tijde van haar uitingen van het verband met de moord op Pim Fortuyn niet bewust is geweest. Deze deelklacht is gebaseerd op de innerlijke tegenstrijdigheid in de bewijsvoering die ook ten grondslag is gelegd aan de eerste deelklacht van het tweede middel. Op grond van hetgeen aldaar is opgemerkt meen ik dat, indien de betreffende onderdelen van de verklaringen van de verdachte in de bewijsmiddelen worden weggedacht, de bewezenverklaring ook wat betreft het voorwaardelijk opzet op het bij Baudet in redelijkheid kunnen ontstaan van de vrees dat hij het leven zou kunnen verliezen zonder meer toereikend is gemotiveerd. Deze deelklacht behoeft daarom evenmin tot cassatie te leiden.
derde deelklacht, die zich (eveneens) keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij Baudet in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, is gebaseerd op de argumentatie die ook ten grondslag is gelegd aan de tweede deelklacht van het tweede middel. Op grond van hetgeen aldaar is opgemerkt acht ik het in de overwegingen van de rechtbank en het hof besloten liggende oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door haar uitlatingen bij Baudet in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd.