Conclusie
middelklaagt dat het ter zake van feit 4 primair bewezenverklaarde opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
De aangifte door [slachtoffer] van 9 november 2015, als opgenomen in het door [verbalisant 1] , BOA domein generieke opsporing, op 9 november 2015 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal, dossierpagina’s 5 en 6, voor zover van belang inhoudende:
De verklaring van verdachte tijdens het verhoor van 4 december 2016, als opgenomen in het door [verbalisant 2] , hoofdagent, en [verbalisant 3] , hoofdagent, op 4 december 2016 op ambtseed opgemaakte proces-verbaal, dossierpagina 46, voor zover van belang inhoudende:
A: Hij wilde mij spreken en mijn moeder deed de deur open. Hij gaf mijn moeder een duw en toen heb ik hem een klets gegeven. Ik had sleutels in mijn handen die was ik vergeten.”
dienente zijn van het glas in zijn hand, kon die overweging namelijk niet bijdragen aan de beslissing dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld. [5] Voor zover het hof daarmee beoogde uit te drukken dat in het midden kon blijven of de verdachte zich bewust was van het glas in zijn hand, geldt naar het oordeel van de Hoge Raad dat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte zich “in het geheel niet ervan bewust” was dat hij een glas in zijn hand had toen hij het slachtoffer sloeg. Kennelijk, zo maak ik hieruit op, zou aan het bewijs van opzet op zwaar lichamelijk letsel in de weg staan de mogelijkheid dat de verdachte in het geheel niet bewust is geweest van de aanwezigheid van het glas in zijn hand. [6]