Conclusie
1.Inleiding
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
Bewezenverklaring
3.De middelen
eerste middelbevat de klacht dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de term “beledigend” als bedoeld in art. 137c lid 1 Sr, althans dat die uitleg niet begrijpelijk is. In het
tweede middelwordt betoogd dat de veroordeling in strijd is met de godsdienstvrijheid als gewaarborgd in art. 9 EVRM Pro. Het
derde middelis geplaatst in de sleutel van de vrijheid van meningsuiting zoals gewaarborgd in art. 10 EVRM Pro.
4.Juridisch kader
5.Bespreking van de middelen
eerste middel, dat zich richt tegen de bewezenverklaring, valt als ik het goed zie uiteen in drie deelklachten. De eerste klacht is dat het oordeel van het hof dat de uitlating van de verdachte op zichzelf beschouwd beledigend is voor moslims, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd (stap 1 van het drie-stappenschema). Daarnaast bevat het middel de klacht dat het hof er onvoldoende rekenschap van heeft gegeven dat de uitlatingen zijn gedaan in de context van het publieke en maatschappelijke debat (stap 2). Tot slot bevat het middel de klacht dat de uitlating van de verdachte geen onnodig grievend karakter heeft (stap 3).
derde middelbevat de klacht dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van haar in art. 10 EVRM Pro gegarandeerde vrijheid van meningsuiting en dat zich niet de situatie heeft voorgedaan dat de uitlating valt onder één van de beperkingsgronden.
margin of appreciationom de vrijheid van meningsuiting te beperken. Daarnaast herhaalt het EHRM zijn rechtspraak dat geloofsbelijders tot op zekere hoogte kritiek hebben te accepteren van mensen met andere geloofsovertuigingen. Vervolgens onderschrijft het EHRM de redenering van de Oostenrijkse Hoge Raad dat de uitlatingen van de verzoekster niet zijn gedaan op een objectieve wijze en niet erop waren gericht bij te dragen aan enig publiek debat, maar slechts konden worden opgevat als een schadelijke aanval op de profeet van de Islam. Het EHRM komt dan ook tot de conclusie dat geen sprake is van een schending van art. 10 EVRM Pro en overweegt daarbij in § 57: