Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
31 mei 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 8 juli 2013 te Amsterdam werd verdacht van het niet voldoen aan de verplichting om ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat, zoals voorgeschreven in artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte werd aangehouden na een verkeersongeval en weigerde meerdere malen op correcte wijze mee te werken aan het ademonderzoek, ondanks herhaalde instructies van de opsporingsambtenaren.
De verdediging voerde in hoger beroep aan dat de verdachte door medische aandoeningen, waaronder hyperventilatie en astma, niet in staat was om de blaastest correct uit te voeren en dat zij niet opzettelijk medewerking had geweigerd. Zij overhandigde verklaringen van een trainer, longarts en traumatherapeut ter ondersteuning van deze stelling. Het hof verwierp dit verweer op basis van de waarnemingen van de opsporingsambtenaren en het feit dat de verdachte geen hap lucht nam voordat zij het apparaat gebruikte, waardoor het apparaat geen lucht kon meten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht is afgeweken van het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte niet opzettelijk weigerde mee te werken, maar dat het haar niet lukte vanwege medische problemen. De Hoge Raad stelt dat het hof voldoende motivering heeft gegeven en dat art. 359, tweede lid, tweede volzin Sv niet vereist dat het hof een nadere motivering geeft. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens het niet voldoen aan de verplichting ademlucht te blazen ondanks medische klachten.