ECLI:NL:PHR:2019:820

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 augustus 2019
Publicatiedatum
19 augustus 2019
Zaaknummer
18/04338
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 117 SvArt. 353 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking en verklaart klager niet-ontvankelijk in klaagschrift inzake beslag op auto

In deze zaak betrof het klaagschrift een BMW die op grond van art. 94 Sv Pro in beslag was genomen wegens verdenking van witwassen. De rechtbank had het klaagschrift eerder gegrond verklaard, ondanks dat de strafzaak tegen de klager nog in hoger beroep was bij het gerechtshof.

De Hoge Raad stelt dat de rechtbank niet ontvankelijk had mogen verklaren in het klaagschrift, omdat de politierechter de klager vrijsprak en de teruggave van de auto had gelast, en het hoger beroep van het OM tegen dat vonnis de enige weg is om die beslissing aan te vechten. Hierdoor mag het klaagschrift niet inhoudelijk worden behandeld zolang het hoger beroep loopt.

De Procureur-Generaal adviseert de Hoge Raad om de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen en de klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klaagschrift. Dit voorkomt dat de rechtbank vooruitloopt op het oordeel van het hof in het hoger beroep.

De Hoge Raad volgt dit advies en verwijst, in geval van vernietiging, de zaak niet terug naar de rechtbank maar naar het hof, zodat het hoger beroep kan worden voortgezet zonder verstoring door het klaagschrift.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verklaart de klager niet-ontvankelijk in zijn klaagschrift.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer18/04338
Zitting27 augustus 2019 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
G. Knigge
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de klager.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 4 september 2018 het door de klager op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift gegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld door de officier van justitie mr. J. Kerkhofs. Mr. M. van der Horst, plaatsvervangend officier van justitie, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

3.Procesgang en bestreden beschikking

3.1
Het klaagschrift betreft een onder de klager op de voet van art. 94 Sv Pro inbeslaggenomen BMW. De inbeslagneming vond plaats omdat de klager ervan werd verdacht deze auto te hebben witgewassen. Na vervreemding van de auto ex art. 117 Sv Pro kwam het beslag te rusten op de opbrengst.
3.2
Deze zaak is reeds eerder in cassatie aan de orde geweest onder nr. 17/01765. [1] De rechtbank had bij beschikking van 6 december 2016 het klaagschrift gegrond verklaard omdat naar haar oordeel een redelijk vermoeden van schuld ontbrak. Het openbaar ministerie stelde tegen deze beschikking met succes beroep in cassatie in. De Hoge Raad vernietigde de beschikking en wees de zaak terug naar de rechtbank teneinde opnieuw te worden behandeld.
3.3
De rechtbank hield op 15 juni 2018 de behandeling van het klaagschrift aan. De inhoudelijke behandeling volgde op 31 augustus 2018. Daarbij kwam ter sprake dat de politierechter de klager in de onderliggende strafzaak bij vonnis van 12 juni 2018 had vrijgesproken en dat het openbaar ministerie tegen dat vonnis hoger beroep had ingesteld.
3.4
De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang [2] , het volgende in:
“De beslissing van de rechtbank van 6 december 2016 is, met inachtneming van het summiere en voorlopige karakter van de raadkamerprocedure, genomen aan de hand van de toen beschikbare stukken. Naar het oordeel van de rechtbank is er thans geen reden meer voor een summier onderzoek ten aanzien van het beklag, nu het dossier volledig is en de zaak inmiddels inhoudelijk beoordeeld is door de politierechter. De politierechter heeft klager vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit en heeft de teruggave van de BMW gelast aan klager. Bij deze stand van zaken moet het naar het oordeel van de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk worden geacht dat de verkoopopbrengst van de in beslag genomen auto door het gerechtshof verbeurd zal worden verklaard.”

4.Naar aanleiding van het middel en ambtshalve

4.1
Het middel klaagt dat de rechtbank te ver is vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van de strafzaak tegen de klager.
4.2
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat de politierechter de teruggave van de BMW heeft gelast aan de klager, hetgeen bevestiging vindt in het afschrift van het mondeling vonnis van de politierechter dat zich bij de gedingstukken bevindt. Dit betekent volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat de rechtbank de klager niet ontvankelijk had dienen te verklaren in zijn klaagschrift. [3] Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt immers mee dat de bedoelde beslissing van de politierechter haar kracht alleen kan verliezen door een beslissing van het gerechtshof op het hoger beroep dat het openbaar ministerie in de strafzaak instelde. Dat betekent dat het ingestelde hoger beroep – dat zich tegen het vonnis in zijn geheel richt – niet mag worden doorkruist door een beslissing op een ingediend klaagschrift. Als eenmaal door de strafrechter een beslissing is gegeven over een op grond van art. 94 Sv Pro inbeslaggenomen voorwerp, is dus voor een inhoudelijke beslissing op een daarop betrekking hebbend klaagschrift geen plaats meer.
4.3
Wat betekent dit voor het ingestelde cassatieberoep? Niet dat de officier van justitie bij dat beroep geen belang heeft. Een grond om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde beroep is er dus niet. Tegelijk geldt dat een bespreking van het ingediende cassatiemiddel een onwezenlijke aangelegenheid wordt als daarbij geabstraheerd moet worden van het feit dat de rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift had mogen toekomen. Dat laatste impliceert immers dat de rechtbank sowieso niet op het oordeel van de strafrechter mocht vooruitlopen. Het is in elk geval zo dat het enkele feit dat de politierechter vrijsprak, onvoldoende grond oplevert om het klaagschrift gegrond te verklaren. Dat zou ook het geval zijn als de politierechter had verzuimd ex art. 353 Sv Pro een beslissing te nemen over de inbeslaggenomen auto.
4.4
Gelet op het voorgaande lijkt het mij de kortste slag als de Hoge Raad de bestreden beschikking naar aanleiding van het middel ambtshalve vernietigt op de onder 4.2 aangedragen grond. De Hoge Raad zal daarbij, doende wat de rechtbank had behoren te doen, de klager niet-ontvankelijk moeten verklaren in het ingediende klaagschrift.
5. Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn klaagschrift.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:502.
2.In de cassatieschriftuur wordt niet geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat zij, ondanks het feit dat de strafzaak inmiddels door het ingestelde hoger beroep wordt vervolgd voor het hof, bevoegd is om het klaagschrift te behandelen. Het beroep dat de rechtbank daarbij doet op HR 28 mei 1996, DD 96.336, komt mij overigens juist voor. Wel brengt het ingestelde hoger beroep mee dat de Hoge Raad de zaak ingeval van vernietiging van de bestreden beschikking niet dient terug te wijzen naar de rechtbank, maar dient te verwijzen naar het hof (tenzij de Hoge Raad de zaak zelf afdoet).
3.Zie o.m. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5834 en HR 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2800.