Conclusie
werknemers/NXP [1] is aan de orde of het hof de toets op leeftijdsdiscriminatie correct heeft uitgevoerd. Die vraag is ook aan de orde in zaak 18/05125 (
ABN AMRO/ […]), waarin ik eveneens vandaag mijn conclusie neem.
1.Feiten
ABP), voert de pensioenregeling uit voor overheidswerknemers, onderwijspersoneel en daarmee gelijkgestelden. Deze pensioenregeling wordt vastgesteld door sociale partners verenigd in de Pensioenkamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid. Een op dat niveau gesloten pensioenovereenkomst wordt door ABP bindend vastgelegd in haar pensioenreglement (in de processtukken ook afgekort als
PR).
NPB) en de Vakbond voor Burger en Militair defensiepersoneel (hierna:
VBM), zijn vakorganisaties die de belangen behartigen van werknemers en gewezen werknemers die pensioen verwerven of hebben verworven jegens ABP.
pensioenopbouw), indien en voor zolang zij aanspraak konden maken op een ontslaguitkering, een werkloosheidsuitkering of een suppletieregeling (hierna gezamenlijk:
ontslaguitkering). [4] Het gevolg van deze leeftijdsgrens was dat gewezen werknemers die een ontslaguitkering ontvingen vanaf hun 62ste geen pensioen meer opbouwden.
FPU), die in de plaats kwam van de VUT. FPU was erop gericht prepensionering mogelijk te blijven maken, waarbij 62 jaar als richtleeftijd gold. Wie van de mogelijkheid om met 62 jaar uit te treden gebruik maakte, kwam in aanmerking voor een FPU-uitkering maar bouwde nadien geen pensioen meer op.
de Wet VPL) [7] van kracht, waarmee werd beoogd de arbeidsparticipatie van oudere werknemers te bevorderen. De fiscale faciliteiten van VUT- en prepensioenregelingen kwamen te vervallen. Voor werknemers geboren vóór 1950 mocht een overgangsregeling worden vastgesteld.
Hoofdlijnenakkoord. [8] Vereenvoudigd gezegd kwam dat op het volgende neer. Voor deelnemers geboren vóór 1 januari 1950 (“de 56-plussers”) kwam een overgangsregeling tot stand, op grond waarvan zij in belangrijke mate uitzicht op hun oude prepensioenregeling bleven houden. [9] Deelnemers geboren in 1950 of daarna (“de 56-minners”) – alsmede 56-plussers die ná 1 januari 1997 bij de overheid of het onderwijs in dienst waren getreden – kregen recht op een “versterkte pensioenopbouw” (lagere franchise, hoger opbouwpercentage). [10] Zij konden hun gewone pensioen vervroegd, vanaf hun 60ste, laten ingaan. Daarnaast hadden zij de mogelijkheid om, als zij vóór 1 januari 2006 FPU-basispensioen hadden opgebouwd, ook dat extra pensioen vervroegd te laten ingaan. [11]
maar niet langer dan tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin zij 62 jaar worden.”
2.Voorafgaande procedure bij het College voor de Rechten van de Mens
het College) is voorafgegaan naar aanleiding van een individuele klacht van een gewezen werknemer van het Ministerie van Defensie, die een wachtgelduitkering ontving. Deze had in november 2013 de leeftijd van 62 jaar bereikt en bouwde conform de toen geldende pensioenregeling vanaf dat moment geen pensioen meer op. Vanaf 1 januari 2015 is hij als gevolg van het vervallen van de leeftijdsgrens weer pensioen gaan opbouwen. Betrokkene meende op grond van zijn leeftijd te zijn gediscrimineerd: hij was geconfronteerd met een hiaat in zijn pensioenopbouw vanaf zijn 62ste jaar tot 1 januari 2015, terwijl de pensioenopbouw van werknemers die op 1 januari 2015 jonger waren dan 62 jaar niet was onderbroken. ABP heeft verweer gevoerd.
3.Procesverloop
het hof) gedagvaard.
4.Juridisch kader
werknemers/NXP. [17] Hieronder volsta ik met een samenvatting.
de Richtlijn) beoogt een algemeen kader te scheppen om voor eenieder gelijke behandeling in arbeid en beroep te waarborgen door effectieve bescherming te bieden tegen discriminatie op een van de in art. 1 van Pro de Richtlijn genoemde gronden, waaronder leeftijd.
Hof van Justitie,afgekort
HvJEU) op het gebied van discriminatie op grond van geslacht volgt dat de vergelijkbaarheid van situaties met name dient te worden getoetst aan de doelstelling van de regeling die het verschil in behandeling invoert. [20] Daarbij wordt de voorvraag of twee groepen werknemers zich in een vergelijkbare positie bevinden, lang niet altijd expliciet geadresseerd. [21]
objectief en redelijk worden gerechtvaardigd” door een legitiem doel, “
met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding”. Het moet om een doel van sociaal beleid gaan. [22] Dat is een ruim begrip. [23] Naast de eis van het legitieme doel geldt de dubbele voorwaarde dat de ingezette middelen voor het bereiken van dat doel passend én noodzakelijk zijn.
WGBLA). [24] Art. 7 lid Pro 1, aanhef en onder c, WGBLA bepaalt dat het verbod van onderscheid op grond van leeftijd “niet geldt” indien het onderscheid objectief is gerechtvaardigd. Dat is het geval als:
niet kennelijk ongeschiktis. [28] Het middel moet concreet en specifiek zijn: eenvoudige, algemene verklaringen dat een bepaalde maatregel geschikt is om het beoogde doel te bereiken, volstaan niet. [29] Soms wordt getoetst of het gekozen middel op coherente en systematische wijze de verwezenlijking van het betrokken doel nastreeft.
verder gaat dan noodzakelijkis voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel en niet op
excessieve wijze afbreuk doetaan de belangen van de personen die op grond van de maatregel anders worden behandeld. Daarbij dient rekening te worden gehouden zowel met het
nadeeldat daaraan kleeft voor de betrokken personen als met het
voordeeldaarvan voor de samenleving in het algemeen en voor de individuen waaruit zij bestaat. [30] Er dient dus een belangenafweging te worden gemaakt. [31]
5.Bespreking van het cassatiemiddel van NPB en VBM
alle gewezen werknemers met een ontslaguitkering recht hadden op voorgezette pensioenopbouw tot de leeftijd van 62 jaar en derhalve geen sprake was van het ongelijk behandelen van gelijke gevallen” (rov. 4.4, eerste alinea). Het hof heeft geconcludeerd dat voor alle werknemers van deze groep gold dat zij “
op het moment dat zij 62 worden (…) geen recht meer hebben op voortgezette pensioenopbouw en op die datum gebruik kunnen maken van vervroegde ingang van hun opgebouwde basispensioen en FPU-basisrechten” (rov. 4.4, laatste alinea).
binneneen bepaalde groep, het enkele voor die gehele groep stellen van die leeftijdsgrens direct onderscheid naar leeftijd oplevert tussen, in dit geval, enerzijds gewezen werknemers jonger dan 62 jaar (wel pensioenopbouw) en anderzijds gewezen werknemers ouder dan 62 jaar (geen pensioenbouw).
Anders dan geslacht of huidskleur is leeftijd geen inherente eigenschap van een mens, doch niet meer dan een per definitie voorbijgaande fase in een mensenleven. (…) Van leeftijd wisselt men voortdurend; dat verschijnsel geldt voor alles en heeft voor alle levende wezens waarneembare consequenties.” [44] Dat is waar. Toch is in de omstandigheid dat ieders leeftijd voortdurend verandert geen grond gelegen om de positie van jongere werknemers en die van oudere werknemers niet vergelijkbaar te achten. [45] De zo juist aangehaalde (vaste) rechtspraak bevestigt dat.
een gewezen werknemer met een ontslaguitkering na het bereiken van zijn 62-jarige leeftijd geen pensioen meer opbouwt, terwijl een jongere gewezen werknemer met een ontslaguitkering die na 1 januari 2015 62 wordt, wel pensioen opbouwt”. Het hof gaat hier m.i. uit van een onnauwkeurige lezing van genoemd oordeel. Het College heeft geoordeeld dat in het midden kan blijven of ABP
vanafhet vervallen van de leeftijdsgrens op 1 januari 2015 onderscheid naar leeftijd maakt, aangezien in de daaraan
voorafgaande periodereeds sprake was van leeftijdsonderscheid (zie hiervoor, 2.2).
separaatmoeten worden getoetst van de legitimiteit van de doelen die met de leeftijdsgrens worden nagestreefd. [48]
passend middelheeft volstaan met een verwijzing naar de overwegingen in rov. 4.4 en 4.6. Nu het in
rov. 4.4gegeven oordeel dat een onderscheid naar leeftijd ontbreekt m.i. onjuist is (zie hiervoor), kan hetgeen het hof aldaar heeft overwogen evenmin dienen ter onderbouwing van het oordeel dat het eerste legitieme doel met een passend middel wordt nagestreefd. In zoverre slaagt de klacht.
rov. 4.6daarentegen doet het hof meer dan enkel het door ABP aangevoerde doel als legitiem kwalificeren. Het hof gaat in op de door ABP voor de leeftijdsgrens van 62 jaar gegeven onderbouwing en stelt daarbij vast dat het effect van die leeftijdsgrens is dat de gewezen werknemers met ontslaguitkering voor pensioenopbouw in dezelfde positie komen als werknemers die vrijwillig vervroegd uittreden bij het bereiken van de 62 jarige leeftijd. Met enige welwillendheid kan daarin worden gelezen dat naar het oordeel van het hof het gekozen middel passend is, omdat het niet kennelijk ongeschikt is om het eerste legitieme doel te bereiken. Het volstaan met een verwijzing naar het oordeel over de legitimiteit van de nagestreefde doelen vind ik hier in zoverre te billijken.
noodzakelijkheidstoetsmoet worden beoordeeld of de leeftijdsgrens van 62 jaar verder gaat dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen en niet op excessieve wijze afbreuk doet aan de belangen van gewezen werknemers van 62 jaar en ouder die recht hebben op een ontslagvergoeding. Deze beoordeling vergt het maken van een belangenafweging, die het hof heeft nagelaten te maken; een verwijzing naar rov. 4.4 en 4.6 volstaat daartoe niet. Uit rov. 4.6 volgt niet dat het hof heeft getoetst of de leeftijdsgrens van 62 jaar de belangen van gewezen werknemers van 62 jaar en ouder met een ontslaguitkering buitensporig aantast en al evenmin of er mogelijk een minder vergaand alternatief voor de leeftijdsgrens denkbaar was.
in aanvullingdaarop dat het hof heeft overwogen dat uit de nota van de Directie Financiën ABP aan de Werkgroep Pensioenkamer LPD en het verslag van de vergadering van de Pensioenkamer van 13 september 2006 blijkt dat de positie van gewezen 56-minners met een ontslaguitkering uitdrukkelijk aan de orde is geweest in collectief overleg tussen de sociale partners. [53]
zich schuldig maakt” aan discriminatie, steeds aan de hand van concrete cijfers dient aan te tonen waarom de discriminatoire regeling noodzakelijk is. De eis dat aan de hand van cijfers concreet moet worden onderbouwd dat sprake is van een noodzakelijk middel achten NPB en VBM bovendien in lijn met art. 12 WGBLA Pro, waarin is bepaald dat de bewijslast berust op de partij die zich beroept op de noodzakelijkheid van de regeling die onderscheid maakt. Het hof is daar ten onrechte aan voorbij gegaan, aldus de klacht.
in voorkomende gevallen met cijfers.” Er bestaan bovendien feitelijke verschillen tussen de onderhavige zaak en de zaak bij het gerechtshof Amsterdam die het voorwerp vormde van de vordering tot cassatie in het belang der wet. Ten eerste had het pensioenfonds in dat geding concrete bedragen genoemd wat de afschaffing van de kortingsregeling eenmalig en vervolgens jaarlijks zou kosten. Het noemen van bedragen lokt bij betwisting de vraag uit naar de onderbouwing van die bedragen. ABP heeft in dit geschil geen concrete bedragen genoemd. [55] Ten tweede blijkt uit de zaak over de kortingsregeling niet dat voor de korting een ander doel bestond dan de pensioenlast beperken. In de onderhavige zaak speelt de redelijke wens te voorkomen dat gewezen werknemers langer pensioen opbouwen dan actieve werknemers die op hun 62e gebruik maken van de mogelijkheid vrijwillig uit te treden, het eerste legitieme doel.
zijpaden kent”, in de zin dat er gewezen werknemers zijn die een arbeidsongeschiktheidspensioen of invaliditeitspensioen genoten maar bij wie pensioenopbouw
nietop hun 62e stopte. [57] Het subonderdeel klaagt dat het hof, door deze stellingen onbesproken te laten, is uitgegaan van de onjuiste opvatting dat de stellingen niet relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een passend middel, althans dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd omdat het niet kenbaar op genoemde stellingen heeft gerespondeerd. In hun schriftelijke toelichting beroepen NPB en VBM zich op rechtspraak van het Hof van Justitie waarin aan deze voorwaarde van coherentie is getoetst. [58]
Gambelli [59] en het arrest
Hartlauer. [60]
Petersen. [61] Die zaak betrof een Duitse regeling waarbij de maximumleeftijd van 68 jaar was gesteld voor door ziekenfondsen gecontracteerde tandartsen op de grond dat vanaf die leeftijd het prestatievermogen van deze artsen afneemt en de gezondheid van de patiënt daartegen moet worden beschermd. Het Hof van Justitie acht dit een legitiem doel en toetst deze maatregel vervolgens aan de coherentie-eis in relatie tot dat doel:
Fuchsen
Köhler, betrof de pensioenleeftijd voor hoofdprocureur in de Duitse deelstaat Hessen. De reguliere pensioenleeftijd was 65 jaar, maar er bestond een verlengingsmogelijkheid tot 68 jaar indien de dienst dat vereiste. Het Hof van Justitie oordeelde dat deze wetgeving coherent is: [62]
zijpaden” (zie hiervoor, 5.32) die bron van incoherentie kunnen zijn wel meevalt. In punt 53 van de conclusie van antwoord, waarnaar het subonderdeel verwijst, wordt één voorbeeld gegeven van een categorie gewezen werknemers voor wie de pensioenopbouw niet stopte bij 62 jaar, maar doorliep tot 65 jaar. ABP heeft in haar schriftelijke toelichting (punt 4.50) opgemerkt dat het daar een specifiek en nieuw soort voorziening betrof, die verband hield met de eind 2005 in werking getreden Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (de opvolger van de WAO), en die een sterk verlaagde pensioenopbouw kende, ook in vergelijking met de pensioenopbouw van gewezen werknemers een uitkering. Het is niet aannemelijk dat deze ene specifieke uitzondering de coherentie van de regeling kan aantasten.