Conclusie
1.Feiten
grove indicatie”) per 29 januari 2009 op NAf 2.700.000 getaxeerd. Het taxatierapport vermeldt eind juli 2009 als opleveringsdatum van het appartementencomplex (volgens de planning van de aannemer zou in mei 2009 al kunnen worden opgeleverd). Het rapport vermeldt voorts dat op 29 januari 2009 de ruwbouw van het complex gereed was, de meeste wanden gepleisterd waren en men bezig was met de installaties.
2.De hoofdprocedure tussen Parasasa en de Bank
cash flow. (…) De bank heeft echter niet willen meewerken aan de werkwijze zoals door mr. De Vries voorgesteld, zonder dat zij Parasasa heeft aangegeven welk belang van de bank zich daartegen verzette en zonder een alternatief te bieden waarmee de door mr. De Vries in zijn brieven benoemde en toegelichte bezwaren voor Parasasa tegen de (door de bank gestelde) oorspronkelijke opzet (kort gezegd: het verbod voor een SPF om te ondernemen en de risico’s voor kopers bij betaling zonder levering) [zouden worden ondervangen, A-G]. Naar het oordeel van het Gerecht had van de bank in het kader van de kredietrelatie mogen worden verwacht dat zij i) Parasasa onverwijld, concreet en inhoudelijk had bericht dat en waarom zij niet kon instemmen met het voorstel van mr. De Vries en/of ii) onverwijld, concreet en inhoudelijk aan Parasasa had uiteengezet welke werkwijze zij dan wel voorstond, rekeninghoudend met de noodzaak van cash flow voor Parasasa en de wenselijkheid van zekerheid voor kopers en potentiële kopers. De bank heeft, noch het een noch het ander gedaan, mede waardoor, naar aannemelijk is geworden, tussen partijen een impasse is ontstaan, de verkoop door Parasasa (verder) in het slop is geraakt, kopers zijn afgehaakt, Parasasa niet de beschikking over de benodigde cash flow heeft gekregen en het project stil is komen te liggen.
aantrekken van extra financiering van het project extra heeft bemoeilijkt”, maar [dat] het gebrek aan een adequate medewerking van de Bank bij de verkoop – mogelijk ingegeven door de kredietcrisis – ertoe heeft geleid dat SPF het project niet meer heeft kunnen voltooien. Zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen was de Bank, ondanks de kredietcrisis, op grond van haar kredietrelatie met SPF gehouden rekening te blijven houden met de gerechtvaardigde belangen van SPF, hetgeen onder meer impliceerde dat zij de door SPF voorgestelde gewijzigde juridische verkoopstructuur voortvarend en op zijn naar objectieve maatstaven te beoordelen merites had moeten beoordelen.”
3.Het procesverloop in de schadestaatprocedure
voldoende kansrijke aanknopingspunten” zijn voor een cassatieberoep en de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis wezenlijke restitutierisico’s en onherstelbare (reputatie)schade voor de Bank met zich brengt. Ook zou de Bank al volledig aan het bestreden vonnis hebben voldaan. Bij vonnis van 17 september 2019 heeft het GEA de vorderingen van de Bank afgewezen. [23] Naar het oordeel van het GEA is geen sprake van een aan het bestreden vonnis klevende kennelijke feitelijke of juridische misslag. Dat cassatieadvocaten mogelijkheden zien voor een succesvol cassatieberoep, maakt dat niet anders (rov. 4.4.). Ook is het volgens het GEA aannemelijk dat de Bank nog niet volledig aan het bestreden vonnis heeft voldaan (rov. 4.5.-4.8.).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
ultimate beneficial ownervan) Parasasa op verzoek van de OBNA nadere informatie over het project aan de OBNA heeft verstrekt. [26] Ook blijkt uit een e-mail van 9 februari 2009 dat de OBNA aan Parasasa heeft laten weten dat “
all is positive”. [27] Uit een e-mail van 27 februari 2009 van Parasasa aan de Bank blijkt dat de OBNA met betrekking tot de kredietaanvraag van Parasasa heeft geprobeerd contact op te nemen met de Bank, maar dat de Bank ‘niet thuis gaf’ en dat (de
ultimate beneficial ownervan) Parasasa binnenkort in Curaçao zal zijn “
to complete all necessary arrangements”. [28] Uit een e-mail van 17 maart 2009 blijkt dat, ondanks een belofte van de Bank daartoe, de Bank het benodigde papierwerk nog steeds niet aan de OBNA heeft verstrekt. [29] Deze gang van zaken heeft er mede toe geleid dat het hof in de hoofdprocedure heeft geoordeeld dat de schijn is gewekt dat de Bank niet heeft voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst en aldus jegens Parasasa is tekortgeschoten (rov. 4.1 van het tussenvonnis van 23 oktober 2012, randnummer 2.5 hiervoor).
tegen welke datumParasasa de appartementsrechten had kunnen verkopen, heeft onderscheiden van de vraag
tegen welke prijsParasasa deze had kunnen verkopen. Hiermee heeft het GEA kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat het weliswaar aannemelijk is dat Parasasa de appartementsrechten per 30 juni 2009 had kunnen verkopen, maar dat de relatief korte termijn waarbinnen dit alles had moeten plaatsvinden mogelijk een prijsdrukkend effect op de verkoopprijs van de appartementen zou hebben gehad. Dit effect is meegenomen in het deskundigenbericht, dat immers is uitgegaan van verkoop van de appartementsrechten per (de relatief korte deadline van) 30 juni 2009. Hetzelfde geldt voor de mogelijk prijsdrukkende effecten van de internationale kredietcrisis van 2008 en de lokale politieke omstandigheden op Curaçao (rov. 2.6 van het tussenvonnis van 1 februari 2016). Ook gelet hierop is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft aangenomen dat Parasasa de appartementen uiterlijk op 30 juni 2009 zou hebben afgebouwd en verkocht.
randnummer 1.1.2.van het verzoekschrift tot cassatie van een onjuiste lezing van het bestreden arrest uitgaat. Daar betoogt de Bank dat het oordeel in rov. 4.11. onbegrijpelijk is, mocht het hof in het midden hebben gelaten of de appartementen per 30 juni 2009 zouden zijn verkocht. In rov. 4.11. spreekt het hof van een voortvarende verkoop van de appartementen, waaruit blijkt dat het hof dit niet in het midden gelaten.
Hetgeen door de bank is aangevoerd” heeft het hof niet op andere gedachten gebracht, waaronder kennelijk de stellingen van de Bank met betrekking tot de twee aan Giansa toegezegde appartementen en de mogelijkheid voor Parasasa om het project alsnog nog te voltooien. Dit is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
in geen enkel geval meer mogelijk” is, onder meer omdat de markt en de bouwkosten intussen zijn veranderd. [30]
Stichting Ziekenverpleging Arubakan haar niet baten. [31] In rov. 3.6 van dat arrest heeft Uw Raad bepaald dat, indien het standpunt van een door een partij geraadpleegde deskundige afwijkt van dat van de door de rechter benoemde deskundige, de rechter zijn beslissing om de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige te volgen in het algemeen niet verder hoeft te motiveren dan door te overwegen dat de door de deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. De rechter zal echter wel moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze.
randnummers 3.1.1.-3.1.3.van het verzoekschrift tot cassatie dat het onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.14. – bij het toepassen van de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW Pro – heeft geoordeeld dat de vanaf 1 juli 2009 in rekening gebrachte contractuele rente niet voor 60%, maar voor 0% voor rekening van Parasasa komt. Uit rov. 4.14. blijkt immers niet dat de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval zou eisen dat de vanaf 1 juli 2009 in rekening gebrachte rente volledig voor rekening van de Bank moet komen. De motivering van het hof, dat “
mede door toedoen van de bank” het krediet niet per 1 juli 2009 is afgelost, is hiervoor niet voldoende. Ook uit de door het GEA genoemde omstandigheid – het karakter van de geboekte rente als schadepost – volgt niet dat de vanaf 1 juli 2009 in rekening gebrachte contractuele rente geheel voor rekening van de Bank moet komen.
de redelijkheid mee[brengt]” dat de Bank in het geheel geen rente in rekening mag brengen over de tijd na 1 juli 2009. Hoewel de formulering ongelukkig is – art. 6:101 lid 1 BW Pro spreekt immers van “
de billijkheid” en niet van “
de redelijkheid” – is mijns inziens voldoende duidelijk dat het hof hiermee (ii) de billijkheidscorrectie heeft toegepast met het ‘maximale’ gevolg dat de schadepost niet voor 40%, maar voor 100% voor rekening van de Bank komt. Het hof heeft volstaan met een beknopte motivering van (iii) de grond(en) waarop het de billijkheidscorrectie heeft toegepast. Het hof heeft de motivering van het GEA weergegeven – “
het karakter van de geboekte rente als schadepost en de redelijkheid en billijkheid” – en vervolgens zijn oordeel gemotiveerd door te overwegen dat het krediet “
mede door toedoen van de bank” niet per 1 juli 2009 is afgelost, waardoor de redelijkheid meebrengt dat de Bank in het geheel geen contractuele rente in rekening mag brengen over de tijd na 1 juli 2009. De zinsnede “
mede door toedoen van de bank” duidt er mijns inziens op dat het hof – hoewel dit duidelijker had gekund – net als het GEA, de aard van de schade (mede) doorslaggevend heeft geacht om de vanaf 1 juli 2009 in rekening gebrachte contractuele rente, in afwijking van de causale verdeling, volledig voor rekening van de Bank te laten komen. [36] Kennelijk heeft het hof het niet billijk geacht dat de Bank ook contractuele rente bij Parasasa in rekening zou mogen brengen over de periode vanaf 1 juli 2009, derhalve ná het moment dat Parasasa, zonder de tekortkoming van de Bank, het krediet bij de Bank zou hebben afgelost. Dat oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk, omdat de fout van de Bank haar anders een financieel voordeel zou opleveren. De Bank zou dan immers over de periode vanaf 1 juli 2009 contractuele rente ontvangen, terwijl zij die zonder haar fout niet zou hebben ontvangen omdat in dat geval Parasasa het krediet al volledig had afgelost.
randnummers 3.2. en 3.3.van het verzoekschrift tot cassatie gaan ervan uit dat het hof in rov. 4.14. niet de billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW Pro heeft toegepast, maar de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (randnummer 3.2.) dan wel dat het hof een andere causale verdeling heeft gehanteerd (randnummer 3.3.).
redelijkheid” gebruikt, maar daarin kan niet worden gelezen dat het hof heeft geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Bank over de periode vanaf 1 juli 2009 contractuele rente bij Parasasa in rekening brengt. Het gebruik van het woord “
redelijkheid” duidt veeleer erop dat het hof, na eerst in rov. 4.7. en 4.8. de causaliteitsafweging te hebben gemaakt, in rov. 4.14. de billijkheidscorrectie heeft toegepast (zie ook randnummer 4.23 hiervoor). Hoewel het beter en duidelijker was geweest als het hof het woord “
billijkheid” had gebruikt in plaats van het woord “
redelijkheid”, blijkt niet dat het hof in rov. 4.14. met betrekking tot de vanaf 1 juli 2009 in rekening gebrachte contractuele rente een andere causale verdeling zou hebben gehanteerd dan het met betrekking tot de overige schadeposten heeft gedaan.