Conclusie
Het eerste middel
Ne bis in idem
welziet op een voorwaardelijk sepot waarbij aan de gestelde voorwaarde(n) is voldaan en de proeftijd is beëindigd, maar
nietop een onvoorwaardelijk sepot. [3]
GEEN GROND IS VOOR HET INSTELLEN VAN VERVOLGING DOOR HET OPENBAAR MINISTERIEtegen de verdachte, en het besluit te betekenen aan procureur van klager. […]”.
afgezien, maar er is in een bepaalde procedure vastgesteld dat er in het geheel geen
rechtsgrondvoor het instellen van strafvervolging
bestaat. Ook is mij bij bestudering van het dossier niet gebleken dat de verdachte anderszins door de Turkse autoriteiten voor hetzelfde feit strafrechtelijk is of wordt vervolgd als waarvoor de verdachte thans in Nederland terechtstaat, noch dat in Turkije voor hetzelfde feit een inhoudelijke behandeling door de strafrechter heeft plaatsgevonden, laat staan dat de verdachte in Turkije daarvoor is veroordeeld, vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging in de zin van art. 68, tweede lid, Sr.
Het tweede middel
Aanvullende motivering met betrekking tot het bewijs
Beoordeling van het bewijs
NJ2017/158, m.nt. Keijzer. Over dit verweer en het genoemde arrest nog het volgende.
NJ2017/158, m.nt. Keijzer heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
samenweefsel van verdichtselsin de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Een voorbeeld daarvan was aan de orde in het arrest waarin de verdachte investeerders in strijd met de waarheid voorhield dat de geïnvesteerde bedragen zouden worden terugbetaald met een jaarlijkse rente van 18%, terwijl hij noch de intentie had noch in staat was om de afspraken na te komen en hij door hem ondertekende "promissory notes" afgaf teneinde te doen voorkomen dat de door hem gemaakte afspraken waren gegarandeerd. Uit dit voorbeeld blijkt dat van 'meer dan een enkele leugenachtige mededeling' niet slechts sprake kan zijn indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie.
listige kunstgrepengaat het in vergelijkbare zin in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Een voorbeeld daarvan was aan de orde in het geval waarin de verdachte (met anderen) gebruik maakte van briefpapier van KPN teneinde een bank met een valse betaalopdracht te bewegen tot overboeking van een geldbedrag.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.”
eigenaarwas van de grond (perceel nummer 19 en 22 in [plaats ] -Alanya in Turkije) waarop het appartementencomplex gebouwd zou gaan worden, terwijl [B] daarvan geen eigenaar was;
is bewogenin de zin van art. 326, eerste lid, Sr tot de afgifte van het tenlastegelegde geldbedrag. De onderbouwing van de klacht houdt niet over en de vraag kan zelfs opkomen of het wel een cassatiemiddel in de zin van de wet is. In de toelichting op het middel worden de pleitnota (zie daarvoor randnummer 24 tot het kopje Opzet) en rechtsoverweging 2.4 van het hierboven genoemde overzichtsarrest van HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892,
NJ2017/158, m.nt. Keijzer letterlijk weergegeven en wordt vervolgens gesteld dat gelet op deze rechtsoverweging en op hetgeen namens de verdachte in dit verband is aangevoerd, de bewezenverklaring dat de verdachte [benadeelde] 'heeft bewogen' tot afgifte van het geldbedrag niet toereikend is gemotiveerd. In de pleitnota wordt echter niets over het “bewegen tot” naar voren gebracht, zodat op dit punt alleen het arrest van de Hoge Raad overblijft.
NJ2012/279 heeft de Hoge Raad enkele concrete omstandigheden in relatie tot een samenweefsel van verdichtsels expliciet benoemd. Daartoe behoren “de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer”. Niet alleen gaat de Hoge Raad in op het causale verband, ook betrekt hij in het overzichtsarrest, en al eerder in het arrest uit 2011, de kenmerken van het slachtoffer in zijn oordeel omtrent de vraag of zich een geval van oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr voordoet. [11] Oplichting is niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Dat neemt niet weg dat in bepaalde gevallen het in het handelsverkeer geldende vertrouwen of verwachtingspatroon een rol kan spelen, in het bijzonder bij specifieke transacties tussen bedrijven in een bepaalde branche of bij personen die elkaar over en weer kennen. Als men in
diebedrijfsmatige sfeer zonder al te diepgaande controles overgaat tot de afgifte van goederen, kan toch worden gezegd dat de dader op bedrieglijke wijze misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat bij de ander bestaat of van het verwachtingspatroon waarvan de ander uitgaat. [12] Ook met deze beoordelingsfactor heeft de Hoge Raad in het overzichtsarrest nadrukkelijk rekening gehouden, en wel in rechtsoverweging 2.3.6: algemeen het vertrouwen dat het publiek ten behoeve van het maatschappelijk en economisch verkeer tot op zekere hoogte mag stellen in de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen, hetgeen in de rechtspraak van de Hoge Raad tot uitdrukking komt in “verschillende voor de beoordeling van het gewicht van het gehanteerde oplichtingsmiddel relevant geachte omstandigheden als: het misbruik maken van een in het maatschappelijk verkeer geldend verwachtingspatroon”.