Conclusie
equality of arms, wat betreft de toegang van de notaris tot bepaalde bij het BFT berustende informatie?
1.Feiten en procesverloop
2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
fair hearingen van
equality of armstot zijn oordeel gekomen.
equality of arms, kan mede worden afgeleid uit HR 16 maart 2007 (rov. 3.7.2), ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637 m.nt. H.J. Snijders. Zie in gelijke zin: HR 25 juni 2010 (rov. 3.8.4), ECLI:NL:HR:2010:BM1679, NJ 2012/55 m.nt. H.J. Snijders. In de laatstgenoemde zaak werd getoetst of een ‘asymmetrie’ in het desbetreffende rechtsmiddelenverbod de wederpartij ten opzichte van de verzoeker van het exequatur in een zodanig nadelige positie plaatste dat geen sprake meer is van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro. [9] Of het voorgedragen cassatiemiddel inhoudelijk gegrond is, zal in paragraaf 3 hierna worden onderzocht.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Eerlijk proces, ondanks weigering van inzage in de meldingsbrief?
onderdeel 1.1heeft het hof het door art. 6 EVRM Pro gegarandeerde recht op een ‘eerlijk proces’ veronachtzaamd, althans is het hof in strijd met het fundamentele beginsel van
fair hearingof van
equality of armstot zijn beslissing gekomen.
civil limb) is in deze tuchtrechtelijke zaak van toepassing omdat de ontzetting uit het ambt van notaris, met alle gevolgen van dien, is aan te merken als een vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van die verdragsbepaling. Of tevens sprake is van een
criminal chargein de zin van art. 6 EVRM Pro, is minder gemakkelijk vast te stellen. [12] Het gaat in deze zaak niet om een strafvervolging naar nationaal recht. Ook inhoudelijk gaat het niet om de vaststelling of de notaris enig strafbaar feit heeft begaan. Anderzijds gaat het in deze zaak om meer dan slechts een vorm van intern verenigingsrecht. Het gaat, in de bewoordingen van art. 113 lid 2 Grondwet Pro, om tuchtrechtspraak die door de overheid is ingesteld en bij wet is geregeld. Hoewel tuchtrecht verschillende doelstellingen kan hebben, is de hoofddoelstelling het bewaken van de integriteit van deze beroepsgroep, waarbij − naast het belang van deze beroepsgroep − ook een algemeen belang een rol speelt: het goed functioneren van en het publieke vertrouwen in het notariaat. [13] In hoger beroep heeft (een bijzondere kamer van) een gerechtshof over de klacht beslist. Bij de bespreking van onderdeel 2 kom ik hierop terug.
anderszinsaanspraak kan maken op de door hem ter inzage gevraagde bescheiden.
nietin het geding zijn gebracht. [18]
burgerlijk procesrechtgeldt de hoofdregel van art. 21 Rv Pro (waarheidsplicht, in de wandeling ook wel aangeduid als: ‘alle kaarten op tafel leggen’) en regelt art. 22 Rv Pro het opvragen van bescheiden en eventueel de vertrouwelijke kennisneming van die bescheiden door alleen de rechter; ook kan via art. 28 Rv Pro aan partijen een geheimhoudingsplicht worden opgelegd. Daarnaast kan een procespartij een vordering als bedoeld in art. 843a Rv instellen tot het verkrijgen van bepaalde informatie (zoals in dit geval door de notaris in kort geding vergeefs is gedaan), dan wel getuigen laten oproepen.
bestuursprocesrechtgeldt de hoofdregel dat het bestuursorgaan ‘de op de zaak betrekking hebbende stukken’ aan de rechter inzendt bij aanvang van het vooronderzoek (art. 8:42 Awb Pro). Op grond van art. 8:28 e.v. en art. 8:45 Awb Pro kan de bestuursrechter aan partijen verzoeken om nadere inlichtingen te verschaffen of bepaalde stukken over te leggen. Art. 8:29 Awb Pro regelt de mogelijkheid van vertrouwelijke kennisneming daarvan door de rechter.
strafzakengeldt een verbaliseringsplicht voor opsporingsambtenaren op grond van art. 152 Sv Pro. Tijdens het vooronderzoek en tijdens het onderzoek ter terechtzitting kan een weigering van het Openbaar Ministerie om bepaalde (opsporings)informatie aan de verdachte of diens raadsman te verstrekken op verschillende wijzen en op verschillende momenten aan de orde komen. Het voert te ver, nu in deze niet-strafrechtelijke zaak daarop dieper in te gaan. [19]
equality of arms, die “
requires each party to be given a reasonable opportunity to present his case under conditions that do not place him at a substantial disadvantage vis-à-vis his opponent”, staat nu ter beoordeling of de notaris onevenredig is benadeeld in zijn verdedigingsmogelijkheden door het feit dat het BFT wel beschikte over informatie van de Belastingdienst (met name de melding van 31 augustus 2015), maar de notaris niet. Hierbij verdient aantekening dat
equality of armsverwijs ik naar beide
Case Law Guidesover art. 6 EVRM Pro. [23] In de rechtspraak van het EHRM wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds het recht van een verdachte, respectievelijk van een procespartij in een civiele procedure, om kennis te nemen van het bewijsmateriaal (‘
disclosure of evidence’) en anderzijds het recht van een verdachte of procespartij om commentaar te leveren op het bewijsmateriaal (‘
fully adversarial proceedings’).
Case Law GuideArticle 6 (
criminal limb), V, A, par. 2.b (nrs. 159 e.v.) ontleen ik de volgende samenvatting (voetnoten en vindplaatsen weggelaten):
…).
criminal charge-)maatstaven zouden worden gehanteerd voor een tuchtrechtelijke procedure als de onderhavige, acht ik de bestreden beslissing niet daarmee in strijd. Die maatstaven strekken zich weliswaar mede uit tot de feiten die van belang (kunnen) zijn voor de beantwoording van een voorvraag, zoals in dit geval de ontvankelijkheid van de klacht in relatie tot de wettelijke klachttermijn, maar zij hebben niet, althans niet zonder meer, gevolgen voor de mogelijkheden van de notaris om zich inhoudelijk tegen de aanklacht te verdedigen. De notaris heeft – uiteraard – niet gesteld dat het BFT vóór 14 juli 2014 − drie jaar vóór de datum van indiening van de klacht – kennis had van een belangenverstrengeling door de notaris, zoals het BFT die in deze procedure aan de notaris verwijt. De discussie in eerste aanleg en, met name, in hoger beroep [26] ging hoofdzakelijk over de vraag of het BFT eerder in actie had kunnen komen op basis van de feiten waarvan het vóór 14 juli 2014 − drie jaar vóór de datum van indiening van de klacht – kennis had of redelijkerwijs kennis had kunnen nemen. Volgens het BFT stond het notariskantoor weliswaar onder verscherpt toezicht, maar werd in de daarvan opgemaakte rapporten geen gewag gemaakt van de geldstromen, laat staan van de belangenverstrengeling die het BFT de notaris verwijt (door het hof samengevat in rov. 4.1 – 4.2). Ook in de redenering van het hof is voor het aanvangen van de klachttermijn niet voldoende dat het BFT kennis had van los staande feiten of dat het bekend was met de opvattingen van de Belastingdienst. [27] Volgens de Kamer voor het notariaat en het hof gaat het om het tijdstip waarop het BFT voor het eerst kennis heeft genomen (of redelijkerwijs had kunnen nemen) van feiten waaruit blijkt van de in de klacht bedoelde belangenverstrengeling en is dat tijdstip niet eerder gelegen dan bij aanvang van het door BFT zelf ingestelde onderzoek (3 december 2015).
fair trialen
equality of arms) tot stand is gekomen. Mijn slotsom is dat het hof niet in strijd met deze beginselen heeft gehandeld en dat deze rechtsklacht faalt.
onderdeel 1.3sluit aan bij de vorige klacht: het oordeel dat de notaris zijn stellingen over de aanvang van de klachttermijn niet voldoende concreet heeft onderbouwd, en dat ook uit de rapportages niet blijkt van enige kennis van het BFT, voorafgaand aan het in 2015 verrichte onderzoek, omtrent het verweten handelen of nalaten van de notaris in de jaren 2009 tot en met 2011, berust volgens de notaris op een ontoereikend gemotiveerde uitleg van de gedingstukken. In de toelichting op onderdeel 1.3 betoogt de notaris dat het oordeel dat hij zijn standpunt onvoldoende met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd onverenigbaar is met de volgende, door hem bij het hof aangevoerde stellingen:
klacht onder 2.1houdt in dat het hof heeft miskend dat ingevolge art. 7 EVRM Pro en art. 15 lid 1 IVBPR Pro geen zwaardere straf kan worden opgelegd dan die, welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing is. Aangezien ten tijde van de verweten gedragingen (2009 – 2011) de zwaarst mogelijke straf
enkelde ‘ontzetting uit het ambt’ was, is het oordeel van het hof dat het kon overgaan tot oplegging van een geldboete tezamen met ontzetting uit het ambt rechtens onjuist. De
klacht onder 2.2houdt in dat het hof bovendien heeft miskend dat het op grond van art. 103 Wna Pro de maatregel van ontzetting uit het ambt niet mag combineren met het opleggen van een geldboete.
limitatieveopsomming heeft willen geven van mogelijke combinaties van maatregelen, blijkt volgens het BFT nergens uit. [37]
nullum crimen, nulla poena sine lege’ neergelegd. In Nederland is dit beginsel neergelegd in art. 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Art. 1 Sr Pro is in deze zaak niet van toepassing, omdat het in dit geval niet gaat om het opleggen van een straf ter zake van het plegen van een strafbaar feit. Terzijde merk ik op dat de opheffing van het vroegere verbod van cumulatie van hoofdstraffen in het Wetboek van Strafrecht (Wet van 21 december 1994, Stb. 1995, 32) niet zonder meer is aan te merken als een ‘verandering van wetgeving’ in de zin van art. 1 Sr Pro. [38]
lex certa-beginsel als ten aanzien van het
lex mitior-beginsel bij verandering van wetgeving. [39] Ook in de rechtspraak van de Hoge Raad over boetes in belastingzaken zijn deze beginselen van belang gebleken. [40]
‘criminal offence’en
‘penalty’hebben een autonome betekenis, naast de betekenis die in het nationale recht aan deze begrippen wordt gegeven. Dit maakt het in beginsel mogelijk, dit verdragsartikel ook toe te passen op gevallen waarin strafbare gedragingen worden bestraft in een ander kader dan de nationale strafrechtstoepassing (in Nederland: het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering). [41] Het ligt voor de hand, het toepassingsgebied van art. 7 lid 1 EVRM Pro te beschouwen in samenhang met het begrip ‘
criminal charge’in de zin van art. 6 EVRM Pro. [42]
penalty’in de zin van art. 7 EVRM Pro en de vaststelling daarvan als de uitkomst van een
criminal chargein de zin van art. 6 EVRM Pro. Voor de afbakening tussen enerzijds het begrip
criminal chargein art. 6 EVRM Pro en anderzijds het wettelijk geregeld tuchtrecht geldt EHRM 8 juni 1976 (Engel e.a./Nederland), NJ 1978/223, nog steeds als een belangrijke kenbron. In dat arrest hanteerde het EHRM drie criteria: kort gezegd (i) het antwoord op de vraag of het feit in het nationale recht is aangemerkt als een strafbaar feit, (ii) de aard van het vergrijp en (iii) de aard en de ernst van de strafdreiging. In de sfeer van de bestuurlijke boeten is een en ander te doen geweest over de vraag, bij welk boetebedrag kan worden gesproken van een
criminal charge. Volgens de rechtspraak van het EHRM zijn richtinggevend:
Engelcriteria as identified above.”
criminal charge:zowel het gebod van rolvastheid als notaris (verwijt i) als het verbod van belangenverstrengeling (verwijt ii, aangemerkt als het belangrijkste verwijt) is typisch gericht tot notarissen. Dat met het publieke vertrouwen in − de integriteit van − het notariaat ook een algemeen belang wordt gediend, wil nog niet zeggen dat de aard van de overtreding strafrechtelijk is.
limitatieveopsomming heeft willen geven van mogelijke combinaties van tuchtmaatregelen, kan ik niet opmaken uit de tekst daarvan, noch uit de context. Met de steller van het middel wil ik aannemen dat de bewindspersoon die de memorie van toelichting heeft ondertekend destijds niet heeft gedacht aan de mogelijkheid een ontzetting uit het ambt van notaris te combineren met het opleggen van een geldboete, maar dat is niet beslissend. Niet kan worden staande gehouden dat de combinatie van een ontzetting uit het ambt met alle consequenties van dien en een geldboete praktisch nut ontbeert: het BFT wijst er terecht op, dat het opleggen van tuchtrechtelijke maatregelen ook mogelijk is ten aanzien van notarissen die ten tijde van het tuchtrechtelijk oordeel hun ambt inmiddels hebben neergelegd. Daarom acht ik het onjuist, een limitatieve opvatting als in het cassatiemiddel genoemd aan de wetgever toe te schrijven.