Conclusie
Nummer19/01856
Het cassatieberoep
De zaak
De middelen
eerste middelklaagt over het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de getuigen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] , terwijl de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest deze getuigen te ondervragen, de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit niet in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en de verdachte niet voldoende is gecompenseerd voor de beperkingen van het ondervragingsrecht.
sje die auto hebt, heb je nog niet de benzine. Die jerrycan stond in het schuurtje.
Schatschaschwili tegen Duitsland,het kader uiteengezet op grond waarvan de strafrechter dient te beoordelen of het gebruik voor het bewijs van getuigenverklaringen in dit opzicht verenigbaar is met art. 6 EVRM Pro. [3] Uitgangspunt is dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid niet eraan in de weg staat dat een door de niet-ondervraagde getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk strafproces. Aan die eisen kan in het bijzonder zijn voldaan doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd, dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – doordat het ontbreken van een mogelijkheid tot ondervraging van die getuige in voldoende mate wordt gecompenseerd. [4]
sole or decisive rulevan toepassing is op “de
untested evidencein zijn totaliteit”. [6] Ook mijn voormalig ambtgenoot Knigge stelt dat volgens het EHRM
untested evidenceniet meetelt als steunbewijs. [7] Voor die opvatting is steun te vinden in de rechtspraak van het EHRM. Ik noem drie arresten. In de eerste plaats is het arrest van het EHRM in de zaak
Hümmer tegen Duitslandillustratief. [8] In die zaak hadden familieleden van de verdachte belastende verklaringen afgelegd, die voor het bewijs werden gebruikt. De familieleden beriepen zich vervolgens op hun verschoningsrecht. Het EHRM paste in deze zaak de
sole or decisive ruletoe op de
untested evidenceals geheel en niet op de verklaringen van iedere afzonderlijke getuige. Dit arrest staat niet op zichzelf. Ook in de zaak
Schatschaschwili tegen Duitslandwas sprake van belastende verklaringen van twee getuigen, die niet door de verdediging konden worden ondervraagd. [9] De verklaringen ondersteunden elkaar over en weer, maar de Grote Kamer van het EHRM betrok die omstandigheid niet in de beoordeling of sprake was van steunbewijs. Daarin ligt eveneens besloten dat voor het EHRM
untested evidenceniet meetelt als steunbewijs. Dat was voor het EHRM kennelijk zo vanzelfsprekend, dat daaraan geen specifieke overwegingen werden gewijd. Ten slotte wijs ik op het arrest van het EHRM in de zaak
Oddone en Pecci tegen San Marino. [10] In die zaak waren twee belastende verklaringen van medeverdachten tot het bewijs gebezigd, zonder dat deze als getuigen door de verdediging waren ondervraagd. De nationale rechter had zijn oordeel over het beschikbare steunbewijs gemotiveerd. Het EHRM oordeelde “that since L. and G. were the only eyewitnesses to the offence in question, their testimony could be considered decisive”. Ook uit deze overweging blijkt dat het EHRM niet beoordeelt of de twee verklaringen elkaar over en weer ondersteunen, maar of er
naastbeide verklaringen voldoende steunbewijs is.
untested evidenceals geheel, zou cassatie achterwege kunnen blijven. In dat verband wijs ik op het volgende.
betwisteonderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] . De raadsman heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat ook in de lezing van de verdachte zijn zus heeft geopperd dat “alles in de fik moet”. Kern van het betoog van de verdediging is dat de verdachte daarbij niet opzettelijk behulpzaam is geweest. In de weergave van het standpunt van de verdediging in het bestreden arrest wordt in deze lijn gewezen op de lezing van de verdachte, inhoudende dat hij heeft geweigerd te helpen met het in brand steken van het chalet. Bestreden wordt dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het in brand steken van het chalet door een auto en een jerrycan met benzine aan de medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] ter beschikking te stellen. In dit opzicht levert de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 3] , voor zover inhoudende “dat er inderdaad is gezegd dat “de fik erin moest” en dat het zou kunnen dat zij dat heeft gezegd” (bewijsmiddel 9), geen steunbewijs op.
tweede middelhoudt de klacht in dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.