Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beoordeling van het derde middel
6.Slotsom
7.Beslissing
6 juni 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin hij opnieuw werd veroordeeld voor het smokkelen van circa 104 kilogram MDMA (XTC) naar Australië.
De kern van het cassatieberoep betreft de schending van het ondervragingsrecht van de verdediging onder artikel 6 EVRM Pro, omdat een belastende getuige zich na vijftien jaar nauwelijks iets kon herinneren en daardoor niet effectief kon worden ondervraagd. Daarnaast werd geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
De Hoge Raad oordeelt dat het feit dat de getuige zich weinig herinnert niet automatisch betekent dat het ondervragingsrecht is geschonden, mits de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om vragen te stellen. Het hof heeft dit correct beoordeeld. Wat betreft de redelijke termijn acht de Hoge Raad het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk en vermindert daarom de straf met zes maanden. De zaak wordt zelf afgedaan met een gevangenisstraf van drie jaar en negen maanden.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot drie jaar en negen maanden wegens schending ondervragingsrecht en overschrijding redelijke termijn.