Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Energy Charter Treaty(hierna: ECT). [4] Zij hebben gesteld dat de Russische Federatie in strijd met de ECT hun investeringen in Yukos heeft onteigend en heeft nagelaten deze investeringen te beschermen. HVY hebben gevorderd dat de Russische Federatie veroordeeld wordt schadevergoeding te betalen. De plaats van de arbitrage was Den Haag.
Interim Awards on Jurisdiction and Admissibilityvan 30 november 2009 (hierna: de Interim Awards) geoordeeld over een aantal preliminaire verweren die de Russische Federatie had opgeworpen, onder meer met betrekking tot de bevoegdheid van het Scheidsgerecht. In de
Interim Awardsheeft het Scheidsgerecht bepaalde bevoegdheids- en ontvankelijkheidsverweren verworpen en ten aanzien van andere preliminaire verweren beslist dat het oordeel daarover zou worden aangehouden tot de inhoudelijke fase (‘the merits phase’) van het geding.
Final Awardsvan 18 juli 2014 heeft het Scheidsgerecht de nog resterende bevoegdheids- en/of ontvankelijkheidsverweren van de Russische Federatie verworpen, geoordeeld dat de Russische Federatie haar verplichtingen onder art. 13 lid 1 ECT Pro heeft geschonden en de Russische Federatie veroordeeld aan HVY schadevergoeding te betalen van respectievelijk USD 8.203.032.751 (aan VPL), USD 1.846.000.687 (aan YUL) en USD 39.971.834.360 (aan Hulley), vermeerderd met rente en kosten. Het Scheidsgerecht heeft, kort gezegd, geoordeeld dat de Russische Federatie door het nemen van een aantal belasting- en invorderingsmaatregelen jegens Yukos, heeft aangestuurd op het faillissement van Yukos met geen ander doel dan de uitschakeling van de heer Mikhail Khodorkovsky, de
chairmanvan Yukos en één van haar aandeelhouders, als potentiële politieke tegenstander van president Poetin en het verwerven van de activa van Yukos.
Limitation Clause). Volgens de Russische Federatie is de arbitragebepaling van art. 26 ECT Pro in strijd met de Russische Grondwet en met meerdere wettelijke bepalingen die inhouden dat geschillen van publiekrechtelijke aard niet arbitrabel zijn.
beginselvan voorlopige verdragstoepassing in strijd is met Russisch recht. In hoger beroep hebben HVY, subsidiair, betoogd dat het erom gaat of
voorlopige toepassingvan een of meer bepalingen van de ECT onverenigbaar is met het recht van een verdragsstaat, en niet om de vraag of een specifieke bepaling van de ECT met dat recht in strijd is (rov. 3.3.2 en 4.2.2).
Limitation Clausealdus moet worden uitgelegd, dat een ondertekenende staat die niet de verklaring als bedoeld in art. 45 lid Pro 2 (a) ECT heeft afgelegd, gehouden is de ECT voorlopig toe te passen, behoudens voor zover voorlopige toepassing van een of meer bepalingen van de ECT strijdig is met nationaal recht in die zin, dat de wet- of regelgeving van die staat voorlopige toepassing van een verdrag voor bepaalde (soorten of categorieën van) verdragsbepalingen uitsluit. Volgens het hof is niet gebleken, dat voorlopige toepassing van art. 26 ECT Pro in strijd is met Russisch recht (rov. 4.6.1). Het hof heeft ten overvloede onderzocht of, uitgaande van de uitleg die de Russische Federatie aan de
Limitation Clausegeeft, art. 26 ECT Pro met bepalingen van Russisch recht in conflict komt (art. 4.6.2-4.7.65). Het hof heeft die vraag ontkennend beantwoord.
bona fidebelastingmaatregelen. Het Scheidsgerecht heeft geconcludeerd dat van een
bona fidebelastingheffing geen sprake was, omdat de door de Russische Federatie genomen maatregelen niet uitsluitend bedoeld waren om belasting te innen, maar veeleer om het faillissement van Yukos uit te lokken en Khodorkovsky uit de politieke arena te verwijderen (rov. 5.2.15 en 5.2.16).
bij wijze van voorlopige schorsingsmaatregel:
Depot”), waarna het saldo op deze derdengeldenrekening na een beslissing van de Nederlandse rechter tot vernietiging die in kracht van gewijsde is gegaan wordt geretourneerd aan de Russische Federatie, en na een beslissing van de Nederlandse rechter tot afwijzing van de vernietigingsvorderingen die in kracht van gewijsde is gegaan, aan HVY wordt uitgekeerd, en
3.Bespreking van het schorsingsverzoek
prima faciemoeten blijken. Dit blijkt ook uit het gebruik van het woord ‘kennelijk’ in de geciteerde bepaling. Met ingang van 1 januari 2015 is art. 1063 lid 1 Rv Pro gewijzigd. Met die wijziging is geen inhoudelijke verandering beoogd, maar is getracht het summiere karakter van het onderzoek ook in de wettekst tot uitdrukking te brengen. [13] Art. 1063 lid Pro 1 (nieuw) Rv luidt thans als volgt:
summierlijkonderzoek is gebleken dat het
aannemelijkis dat het vonnis zal worden vernietigd op een van de gronden genoemd in artikel 1065, eerste lid, (…).’ (mijn curs., A-G)
nietterughoudend te werk zal moeten gaan. Dit is vaste rechtspraak van de Hoge Raad. [26] Voor de uitleg van de overeenkomst tot arbitrage moet de maatstaf worden gehanteerd die het op deze overeenkomst toepasselijke recht voorschrijft. [27]
ontbreekt, en dus niet in gevallen van
ondeugdelijkemotivering, aldus de Hoge Raad. [38] Het controleren van de deugdelijkheid van de motivering van het arbitrale vonnis kan immers neerkomen op een inhoudelijke herbeoordeling van dat vonnis, waartoe de rechter niet bevoegd is. Wel kunnen zich gevallen voordoen waarin weliswaar een motivering is gegeven, maar daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet valt te onderkennen. [39] Vernietiging op grond van art. 1065 lid Pro 1, onder d, Rv is dan gerechtvaardigd, ook al moet de rechter van deze bevoegdheid terughoudend gebruik maken, in die zin dat hij slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. [40]
4.De slagingskans van het cassatieberoep
remission) als hij tot het oordeel komt dat een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt. [53] In dat geval heeft terugwijzing immers geen zin.
onderdeel 2van het middel dat is gericht tegen de uitleg die het hof heeft gegeven aan art. 45 lid 1 ECT Pro. Deze uitleg is vervat in rov. 4.5.1 t/m 4.5.48 van het eindarrest.
onderdelen 3 en 4van het middel.
onderdeel 1van het middel, waarin wordt geklaagd over het oordeel van het hof in rov. 5.6 e.v. van zijn tussenarrest van 25 september 2018. Daarin heeft het hof, kort gezegd, geoordeeld dat de stellingen van de Russische Federatie over beweerdelijk bedrog en het achterhouden van stukken door HVY in de arbitrageprocedure alleen in een herroepingsprocedure op de voet van art. 1068 Rv Pro aan de orde kunnen worden gesteld en niet in een vernietigingsprocedure. De klachten houden in dat het hof hiermee heeft miskend, dat dergelijk bedrog ook zou moeten kunnen leiden tot vernietiging van het arbitrale vonnis op grond van art. 1065 lid Pro 1, onder e, Rv (strijd met de openbare orde).
onderdeel 5van het middel. Onderdeel 5 klaagt over de beslissing van het hof in rov. 6.3 van het eindarrest om geen gevolg te verbinden aan het feit dat het Scheidsgerecht de relevante belastingautoriteiten niet heeft geraadpleegd. Volgens het onderdeel was het Scheidsgerecht hiertoe op grond van art. 21 lid 5 ECT Pro verplicht.
onderdeel 6van het middel. Dit onderdeel ziet, kort gezegd, op de betrokkenheid van de assistent van het Scheidsgerecht, Valasek, bij het concipiëren van de arbitrale vonnissen. Volgens de Russische Federatie levert deze betrokkenheid strijd op met het beginsel dat de arbiters de hun opgedragen taak persoonlijk moeten vervullen, zodat het Scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden (art. 1065 lid Pro 1, onder c, Rv). Daarnaast zou door de betrokkenheid van Valasek in feite sprake zijn van een ‘vierde arbiter’, zodat het Scheidsgerecht in strijd met de daarvoor geldende regels is samengesteld (art. 1065 lid Pro 1, onder d, Rv). Het hof heeft dit betoog in rov. 6.6.1-6.6.15 verworpen. Hiertegen richt het onderdeel drie klachten (nr. 106 van het verzoekschrift, onder (i) t/m (iii)). Ik ga kort op deze klachten in.
prima facieeen sluitend oordeel is: uit het feit dat drie arbiters de vonnissen hebben ondertekend, volgt dat deze zijn gewezen door een oneven aantal arbiters. Daarmee is aan de eisen van art. 1026 lid 1 Rv Pro voldaan, zodat de klacht mij vooralsnog niet gegrond lijkt.
onderdeel 7van het middel. Onderdeel 7 is gericht tegen rov. 8.4.13 en 8.4.16 van het eindarrest. Deze overwegingen zien op het betoog dat de arbitrale vonnissen ondeugdelijk zijn gemotiveerd waar het gaat om de stelling van de Russische Federatie dat Yukos’ Mordovische vennootschappen schijnvennootschappen waren. Het Scheidsgerecht is tot de slotsom gekomen dat hiervoor in ‘het omvangrijke dossier’ geen bewijs is te vinden. [60] Volgens het hof doelde het Scheidsgerecht daarmee op het dossier dat voorlag in de fiscale procedures die Yukos in Rusland heeft gevoerd (rov. 8.4.13). Volgens het onderdeel (nr. 114 van het verzoekschrift) is deze ‘reparatiepoging’ in strijd met art. 19 en Pro 24 Rv, en bovendien onbegrijpelijk, onder meer omdat er niet één belastingdossier was maar verschillende (één per jaar).
onderdeel 8van het middel, waarin is betoogd dat ook de beslissing over de schadevergoeding moet worden vernietigd, indien de Hoge Raad een of meer van de onderdelen 1 t/m 7 gegrond verklaard. Onderdeel 8 behoeft in het kader van de behandeling van het schorsingsverzoek geen bespreking.
5.De belangen van partijen
never pay policy, aldus HVY. Ten aanzien van het restitutierisico hebben HVY betwist dat sprake is van schijnvennootschappen. Hulley en YUL zijn gewone
holding companiesdie daarmee nog niet als 'schijnvennootschap' kunnen worden aangeduid. VPL's voornaamste activiteit is het houden van Yukos-aandelen ten behoeve van de trustee van het Veteran Petroleum Trust, in essentie een pensioenfonds voor gepensioneerde Yukos-werknemers. [64] Ook is, als onvoldoende gemotiveerd, bestreden dat geïnde bedragen zullen verdwijnen in een ondoorzichtige vennootschapsstructuur. Verder zal de Russische Federatie eventuele geïnde bedragen kunnen verrekenen met een andere vordering die HVY op haar hebben uit hoofde van een door het EHRM toegekende schadevergoeding, aldus HVY. [65]