Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
) was instructed to enter with Party 2 (FKP, hof) into an agreement on transfer (alienation) of exclusive rights to the trademarks (...)
The property of the Enterprise is in federal ownership and is held by the Enterprise under the right of operative administration. The property complex of the Enterprise includes all types of property intended for its activities, as well as the rights to designations that individualise the Enterprise, its products, work, services (commercial designation, trademarks, service marks), and other exclusive rights. The Enterprise holds exclusive rights to the results of intellectual activity and means of individualization equated with them, for which the Enterprise is registered as a right holder. (...)Daarnaast heeft FKP op grond van art. 24 aanhef Pro en sub 1 van de 2019-statuten het recht om
“with the approval of the Government of the Russian Federation to enter into transactions for the alienation of the exclusive rights to the results of intellectual activity and means of individualisation, including trademarks held by the Enterprise”.
alienation, transfer, entire exclusive rights, assigned property, all rights to the trademarks”) wijzen op zichzelf beschouwd op een algehele overdracht van de IE-rechten. FKP heeft voorts het volle gebruiks- en genotsrecht over deze rechten en kan deze rechten tegenover eenieder handhaven. Daartegenover staat evenwel dat, naar tussen partijen vast staat, de Russische Federatie op grond van de genoemde statutaire bepalingen het recht heeft om het ‘property complex’ van FKP (waaronder alle lE-rechten) als geheel op te pakken en te verkopen aan (bijvoorbeeld) een nieuw opgerichte FTE en tevens het recht heeft om door FKP zonder toestemming van de Russische Federatie met derden gesloten transacties over de vervreemding van (IE-)rechten in rechte (met derdenwerking) te vernietigen. Deze bevoegdheden had de Russische Federatie ook onder de (eerdere) situatie van operationeel beheer.
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Onderdeel I.4keert zich tegen het oordeel van het hof dat voor een lopende vernietigingsprocedure op de voet van art. 1066 lid 1 Rv Pro als uitgangspunt geldt dat deze de tenuitvoerlegging niet schorst. Volgens het onderdeel kan dit oordeel rechtens niet, althans niet zonder nadere motivering, de verwerping van het betoog van FKP en de Russische Federatie dragen. In deze zaak is niet slechts sprake van een vordering tot vernietiging, maar van een reeds uitgesproken vernietiging door de rechtbank, die door het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021 is herleefd, aldus de klacht. Volgens
onderdeel I.5heeft de vernietiging door de Hoge Raad van (het dictum van) het arrest van het hof Den Haag van 18 februari 2020 geen partiële werking. Verder klaagt
onderdeel I.6dat ook het oordeel van het hof in rov. 5.5 onjuist dan wel ontoereikend is gemotiveerd dat verval van rechtswege van het verlof tot tenuitvoerlegging wegens vernietiging van het arbitraal vonnis als bedoeld in art. 1062 lid 4 Rv Pro in dit geval niet aan de orde is, omdat de vernietiging door de rechtbank is herleefd en de grondslag waarop de exequaturs zijn verleend – te weten: het arrest van het hof Den Haag van 18 februari 2020 – is vernietigd.
onherroepelijk is beslist, kan worden afgeleid dat de werking van art. 1066 lid 1 Rv Pro zich ook uitstrekt tot dat moment. Deze conclusie vindt ook steun in de reeds aangehaalde beschikking van 4 december 2020, waarin de Hoge Raad uitdrukkelijk in aanmerking heeft genomen het geval waarin reeds een oordeel is gegeven over de vordering tot vernietiging, maar in de hogere instantie een schorsingsverzoek wordt opgeworpen.
onderdeel II.4toegelicht en uitgewerkt. Betoogd wordt dat onjuist en onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat, gelet op de specifieke rol van de Russische staat uit hoofde van de Russische wet en de statuten van FKP, de exclusieve IE-rechten van FKP moeten worden ‘geassimileerd’ tot rechten van de Russische Federatie zelf. Het hof heeft miskend dat assimilatie terughoudend moet worden toegepast en dat daarbij op functionele wijze moet worden aangesloten bij doel en strekking van de buitenlandse regeling. Ook is assimilatie onverenigbaar met art. 10:118 en Pro 10:119 BW en wijkt het oordeel van het hof af van uitspraken van de Nederlandse en Franse rechter [33] , aldus het onderdeel.
onderdeel II.3.(e)nog geklaagd dat het hof in rov. 5.18 ten onrechte en/of zonder toereikende motivering heeft geoordeeld dat FKP zich niet kan beroepen op art. 4 en Pro 8 Aw. Ook een rechtspersoon kan op grond van art. 4 Aw Pro als maker worden beschouwd en de toepassing van art. 8 Aw Pro is niet beperkt tot de relatie tussen de openbaarmakende rechtspersoon en de natuurlijke persoon/maker, aldus het onderdeel.
uiteindelijkebestemming niet-publiek is, maar slechts dat de
onmiddellijkebestemming van het goed of het
onmiddellijkegebruik van de opbrengsten daarvan niet-publiek is. [51] De Hoge Raad heeft deze opvatting in het
Samruk-arrest van 18 december 2020 verworpen:
Onderdeel III.2(a)klaagt dat het hof heeft miskend dat de beslagen IE-rechten niet door de Russische Federatie zijn gebruikt, noch beoogd zijn voor gebruik door de Russische Federatie, laat staan voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden. De IE-rechten zijn steeds en uitsluitend gebruikt door FKP, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde uit art. 19, onder c, VN-Verdrag dat de IE-rechten in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik
door de staat.
onderdeel III.2(c)dat het hof ook heeft miskend dat het restant van 75% binnen FKP zelf blijft, zodat het – in de visie van het hof – onderdeel blijft uitmaken van het vermogen van de Russische Federatie en wordt ingezet voor de instandhouding van FKP, met als enige publieke eindbestemming het afdragen van winsten aan het budget van de Russische Federatie.
Samruk-arrest van 18 december 2020. Ook voor aandelen geldt namelijk dat baten, waaronder dividenduitkeringen, mede onder het beslag vallen. [57] De Hoge Raad heeft overwogen dat de omstandigheid dat de
opbrengstenuit de aandelen bestemd zijn de nationale welvaart te vergroten, in beginsel erop wijst dat deze een publieke bestemming hebben. Hieruit kan worden afgeleid dat ook de opbrengsten uit de beslagen IE-rechten in aanmerking moeten worden genomen bij de vraag of de IE-rechten in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden. De opbrengsten uit de beslagen IE-rechten zijn echter niet zonder meer gelijk te stellen – zoals het hof lijkt te hebben gedaan – aan de nettowinst of inkomsten van FKP. [58] In de feitelijke instanties heeft FKP gesteld dat haar nettowinst voortvloeit uit de exploitatie van de IE-rechten, waaronder ook schadevergoedingen die FKP ontvangt bij een vastgestelde inbreuk op de IE-rechten. [59] Het hof heeft slechts overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat FKP een deel van haar nettowinst aan het budget van de Russische Federatie moet afstaan. In het licht van het voorgaande zijn daarom beide gronden gezamenlijk dragend voor het oordeel van het hof dat het beroep op immuniteit van executie faalt, zodat ik aan de inhoudelijke behandeling van de klachten toekom.
in hoeverredie gelden en tegoeden vatbaar zijn voor beslag en executie. [60] Hieruit kan worden afgeleid dat voor goederen met een gemengde bestemming de presumptie van immuniteit van executie slechts wijkt voor het deel van de goederen waarvan de schuldeiser heeft aangetoond dat het een niet-publieke bestemming heeft. [61] In buitenlandse rechtspraak valt ook wel een andere benadering te vinden, waarbij kort gezegd beslissend wordt geacht of (de opbrengst van) het goed voor het merendeel wordt gebruikt voor commerciële doeleinden. Indien het antwoord daarop bevestigend luidt, staat het goed als geheel bloot aan beslag en executie. [62]
Zeester-arrest van 20 december 2019 [66] heeft de Hoge Raad uiteengezet welke maatstaf de rechter daarvoor moet aanleggen. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag. In een kort geding over de tenuitvoerlegging van een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, geldt dat de schorsing alleen kan worden uitgesproken indien de (verdere) tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid zou opleveren. [67]