Conclusie
de man) komt op tegen de in die uitspraak door het hof aan hem gegeven bewijsopdracht, die betrekking heeft op de beweerdelijk bij hem berustende economische eigendom van de echtelijke woning. Daarnaast klaagt hij dat het hof door de vaststelling van een door hem aan verweerster in cassatie (hierna:
de vrouw) voor die woning te betalen gebruiksvergoeding een verboden prognose omtrent het nog te leveren bewijs heeft gegeven. Ook worden klachten gericht tegen de door het hof vastgestelde partneralimentatie. Nu het cassatieberoep is gericht tegen een tussenuitspraak, dient eerst de vraag te worden beantwoord of de man ontvankelijk is in zijn cassatieberoep (art. 426 lid 4 jo Pro. 401a lid 2 Rv).
1.Feiten en procesverloop
grief IIbestrijdt de man dat de vrouw voor de echtelijke woning heeft betaald,
grief Vkeert zich tegen de vaststelling van een gebruiksvergoeding voor de echtelijke woning en
grief VIziet op de behoeftigheid van de vrouw.
incidentele grief 1bestrijdt de vrouw dat zij verdiencapaciteit heeft.
primairheeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn beroep en
subsidiairtot verwerping van het cassatieberoep. De man heeft een nader verweerschrift betreffende de niet-ontvankelijkheidsexceptie ingediend. [18] Deze zaak en zaak 19/05481 worden gevoegd behandeld.
2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
eindbeschikkingen. [19] Ingevolge art. 426 lid 4 jo Pro. 401a lid 2 Rv kan cassatieberoep tegen een
tussenbeschikkingslechts tegelijk met een beroep tegen de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald of art. 75 lid 1 Rv Pro van toepassing is.
deelbeschikking(of meer algemeen:
deeluitspraak). Dit is het geval als door een uitdrukkelijk dictum over enig deel van het verzochte een einde wordt gemaakt aan de instantie. Dat gedeelte van de beschikking (het ‘
einduitspraakgedeelte’) heeft als eindbeschikking te gelden. Het gedeelte van de beschikking dat betrekking heeft op het nog niet afgedane deel van het verzochte, waarover partijen verder procederen (het ‘
tussenuitspraakgedeelte’), heeft als tussenbeschikking te gelden. [20]
middelen 2 en 3richten zich tegen de bekrachtiging door het hof van de beschikking van de rechtbank met betrekking tot de gebruiksvergoeding voor de echtelijke woning.
“het hof er vooralsnog van uit gaat dat de vrouw eigenaar is van de echtelijke woning”(rov. 13) sprake van een voorlopige beslissing voor de duur van de appelprocedure. Deze kan ook na effectuering ervan in haar gevolgen ongedaan worden gemaakt door een definitieve beslissing over de verzochte gebruiksvergoeding en draagt dus geen onherroepelijk karakter. Volgens de rechtspraak van uw Raad is daarmee sprake van een tussenbeschikking waartegen geen tussentijds cassatieberoep openstaat, aldus de vrouw. [25] [26]
middel 4namelijk te kwalificeren als een klacht tegen het (een)
einduitspraakgedeelte van de bestreden beschikking. Dit middel komt op tegen de vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie (rov. 14-17 en dictum)
.Anders dan de vrouw betoogt (verweerschrift, nr. 6), gaat het hierbij niet om een voorlopige beslissing in die zin dat het hof nog niet door een uitdrukkelijk dictum over de verzochte alimentatie een einde heeft gemaakt aan de instantie. Gelet op hetgeen in rov. 16 is overwogen, geeft het hof met het woord
“vooralsnog” in rov. 16 (slot) kennelijk aan dat, hoewel van de vrouw verwacht mag worden dat zij over uiterlijk twee jaar tenminste het minimumloon verdient, zij in ieder geval op dit moment nog geen verdiencapaciteit heeft, hetgeen nu de vaststelling van een alimentatie op basis van een behoefte van € 2.740 rechtvaardigt, maar een toekomstige wijziging op de voet van art. 1:401 BW Pro niet uitsluit.
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
toe te bedelen, door middel van medewerking van de vrouw aan een notariële akte van toebedeling van haar aandeel in de eigendom, onder voorwaarde dat de man aan de vrouw een voorlopig bedrag betaalt (zie hiervoor onder 1.4). In het verweerschrift tevens tegenverzoek (nrs. 4-5) heeft de man gesteld dat de woning zekerheidshalve op naam van de vrouw is gesteld, maar dat de woning in ieder geval economisch aan hem toebehoort.
grief II) aangevoerd dat dit oordeel van de rechtbank met betrekking tot de echtelijke woning onjuist is. De man heeft in appel gesteld (beroepschrift, nr. 18) dat de afspraak tussen de man en de vrouw in feite neerkwam op een overdracht van fiduciaire eigendom en dat de vrouw gehouden is de woning terug over te dragen aan de man. Ook heeft de man gesteld dat de echtelijke woning in de afrekening van het huwelijksvermogen moet worden betrokken (beroepschrift, nrs. 26-27). In het petitum heeft hij zijn oorspronkelijke vordering (tot ‘toebedeling’) gehandhaafd.
tegenbewijs.
middel 2wordt geklaagd dat het hof met het definitief en/of onvoorwaardelijk toekennen aan de vrouw van een gebruiksvergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning door de man een ontoelaatbare prognose heeft gemaakt omtrent de uitkomst van de bewijsopdracht van het hof aan de man.
toev. A-G), mits de man gedurende die tijd een gebruiksvergoeding van € 1.400,- per maand aan de vrouw betaalt.
vooralsnog” van is uitgegaan dat de vrouw “
eigenaar” is van de woning. Deze laatste aanname is op zichzelf niet onbegrijpelijk. Indien het opgedragen bewijs al door de man zou worden geleverd, zal na en ter uitvoering van de toewijzende eindbeschikking eerst door de vrouw aan de man geleverd moeten worden, wil de man zich daadwerkelijk (weer) eigenaar kunnen noemen. [33] Anders dan
middel 2betoogt, gaat het hof dan ook niet uit van een verboden prognose omtrent de uitkomst van de bewijslevering.
economischeigenaar van de woning heeft te gelden. Het hof heeft niet gemotiveerd waarom die omstandigheid, indien bewezen, niet aan een gebruiksvergoeding ten gunste van de vrouw en ten laste van de man in de weg zou kunnen staan. De daarop gerichte klachten van
middel 3treffen dan ook doel.
Partneralimentatie
stelling (ii)is sprake van verbleekte behoefte. Ik ga ervan uit dat deze stellingen in samenhang moeten worden bezien: omdat partijen al per einde 2016 uiteen zijn is sprake van verbleekte behoefte. [45]
grief VI), maar heeft in de toelichting bij grief VI niet aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank over de behoefte van de vrouw is gebaseerd op onjuiste of verouderde gegevens.
Behoefte vrouw:de Rechtbank heeft t.a.v. de woning [a-straat 1] de man een vergoedingsplicht opgelegd van € 1.400,-. Zie p. 6 van de bestreden uitspraak. Die € 1.400,- heeft de Rechtbank wel meegeteld bij vermindering van de draagkracht van de man, echter heeft de Rechtbank over het hoofd gezien bij de behoefte van de vrouw. Als de man om te wonen € 1.400,- moet betalen aan de vrouw is dat een last die voor de man niet aftrekbaar is in de IB en voor de vrouw niet belast in de IB in box I maar in box III. De vrouw woont niet meer in [a-straat 1]. Voor haar is inkomen uit [a-straat 1] inkomen in Box III. Laag belast.”
slotsomis dat het slagen van middel 3 meebrengt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.