ECLI:NL:PHR:2020:1122
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gebruik van bewijsvermoedens door Inspecteur bij navorderingsaanslagen zonder omkering bewijslast
In deze zaak staat centraal of de Inspecteur bij het opleggen van navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2001 tot en met 2003 gebruik mag maken van bewijsvermoedens zonder dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd aan de erfgenamen van een overleden erflaatster die een verzwegen Zwitserse bankrekening had. De Inspecteur heeft het saldo van deze rekening in juli 2004 als uitgangspunt genomen en met een rendement van 5% terug gerekend om het vermogen in de jaren daarvoor vast te stellen.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de Inspecteur ook zonder omkering van de bewijslast met bewijsvermoedens aan zijn bewijslast kan voldoen. Belanghebbenden slaagden er niet in het vermoeden te ontzenuwen dat er in de jaren 2001-2003 vermogen op de rekening aanwezig was. Het rendement van 5% werd niet betwist en werd als redelijk beschouwd.
Belanghebbenden voerden in cassatie aan dat bewijsvermoedens niet mogen worden gebruikt zonder omkering van de bewijslast en dat het rendementpercentage onjuist is. De Advocaat-Generaal concludeert dat de jurisprudentie juist ruimte laat voor bewijsvermoedens mits deze voldoende onderbouwd zijn en dat belanghebbenden de mogelijkheid hebben zich daartegen te verweren. De Hoge Raad volgt deze lijn en verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbenden wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen worden gehandhaafd.