Voetnoten
1.Gerechtshof Den Haag 1 november 2019, nrs. BK-19/00256 tot en met 19/00258, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
2.Zie ter toelichting onderdeel 4.6 van deze conclusie.
3.Zie onderdeel 4.7.
4.Deze datum blijkt uit het procesverloop zoals opgenomen in de uitspraak van de Rechtbank.
5.Zie r.o. 6.1 van de Hofuitspraak: € 207.000 x 2 = € 414.000; als bevestigd in punt 5 motivering bic. Zie ook onderdeel 5.17 van deze conclusie.
6.Zie Rechtbank, r.o. 13 en 16.
8.De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten.
9.AG: bedoeld zal zijn juli 2004.
10.Zie onderdeel 2.2 van deze conclusie.
11.A-G: bedoeld zal zijn r.o. 10 uit de uitspraak van het Hof.
12.Belanghebbenden citeren hier r.o. 4.5.2 uit Hoge Raad 15 april 2011, zie onderdeel 4.14 van deze conclusie, en r.o. 3.7.1 en 3.8.1 tot en met 3.8.5 uit Hoge Raad 28 juni 2013, zie onderdeel 4.15 van deze conclusie.
13.Op grond van artikel 27h, tweede lid, van de AWR is artikel 27e van de AWR voor de procedure in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.
21.Toevoeging AG: in r.o. 5.3 heeft Gerechtshof Arnhem het volgende geoordeeld: “Aan de onder 5.3 [AG: bedoeld zal zijn 5.2] vermelde feiten en verklaringen, met name de uitdrukkelijke verklaring van E dat hij na de overdracht van C BV in januari 1994, nimmer aangiften omzetbelasting ten behoeve van C BV heeft gedaan en dat hij op de betreffende aangiften over de periode januari 1994 tot en met juni 1995 - behoudens de aangifte september 1994 - de handtekening van belanghebbende herkent, in hun onderling verband bezien, ontleent het Hof het - door het vergelijkende handschriftonderzoek van het Gerechtelijk Laboratorium in dezelfde richting wijzende - vermoeden dat de door de belastingdienst op girorekening 004 gestorte bedragen tot een totaal van f 49.252,- aan belanghebbende ten goede zijn gekomen, en wel als inkomsten uit arbeid buiten dienstbetrekking. Alsdan ligt het op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat die bedragen hem niet ten goede zijn gekomen en aldus dat vermoeden te ontzenuwen. Het Hof acht belanghebbende niet geslaagd in de van hem verlangde bewijsvoering nu hij zich in zijn beroepschrift en in zijn pleidooi ter zitting beperkt tot een simpel ontkennen van zijn aandeel in voornoemde gang van zaken en zonder concrete onderbouwing in algemene termen betoogt dat de onderhavige bedragen aan anderen ten goede zijn gekomen.”
23.Gerechtshof 's-Gravenhage 27 februari 2002, nr. BK-00/02346, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl,
33.Voetnoot in origineel: EHRM 12 juli 2001, nr. 44759/98, Ferrazzini tegen Italië, BNB 2005/222*. De Hoge Raad verwijst regelmatig naar dit arrest, bijvoorbeeld in zijn arresten HR 4 maart 2011, nr. 10/01402, BNB 2011/126, en HR10 juni 2011, nr. 09/05113, V-N 2011/31.6.
34.Voetnoot in origineel: HR 8 juli 1998, nr. 32 417, BNB 1998/326*.
35.R.J. Koopman,
36.P. Meyjes e.a.,
37.Ik verwijs naar paragraaf 3.2 uit de literatuur die ik heb opgenomen in onderdeel 4.22 over de verdeling van de bewijslast.
38.Zie onderdeel 4.9, 4.10 en 4.13.
39.Zie ook de noot van Albert in onderdeel 4.20.
40.Onderdeel 4.14.
41.Zie r.o. 4.8.3 in het arrest van 15 april 2011, onderdeel 4.14 en r.o. 3.4.1 in het arrest van 28 juni 2013, onderdeel 4.15.
42.Dit heeft de Hoge Raad geoordeeld in r.o. 4.8.3 van zijn arrest van 15 april 2011, onderdeel 4.14.
43.Zie ook de parlementaire toelichting opgenomen in onderdeel 4.4, waarin is toegelicht dat de inspecteur niet mag worden ontheven van zijn taak om opzet of grove schuld te bewijzen van degene aan wie hij een vergrijpboete wil opleggen.
44.Dit oordeelde de Hoge Raad in r.o. 3.8.4 van zijn arrest van 28 juni 2013, onderdeel 4.15.
45.Dit maak ik op uit het arrest van 12 augustus 2005,onderdeel 4.10, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het Hof niet had miskend dat de bewijslast op belanghebbende rustte en uit het arrest van 28 juni 2013, onderdeel 4.15, waar in r.o. 3.5.4 werd geoordeeld dat het gebezigde bewijsvermoeden niet neerkwam op een omkering van de bewijslast.
46.Zie het oordeel van de Hoge Raad in r.o. 3.2 van het arrest van 13 december 1995, onderdeel 4.8 en in r.o. 5.1 van het arrest van 13 augustus 2010, onderdeel 4.12 alsmede paragraaf 3.1 uit de literatuur die ik heb opgenomen in onderdeel 4.22.
47.R.o. 3.5.3 in Hoge Raad 28 juni 2013, onderdeel 4.15.
48.Zie het oordeel van de Hoge Raad in r.o. 3.2.4 van zijn arrest van 25 oktober 2002, onderdeel 4.9 en dit volgt ook uit r.o. 3.4 van het arrest van 13 december 1995, onderdeel 4.8.
49.Zie r.o. 15, onderdeel 2.2.
50.Zie r.o. 16, onderdeel 2.2.
51.AG: het arrest van 10 februari 2017, zie onderdeel 4.7.
52.De rekening is gesloten op 15 oktober 2004, onderdeel 2.1.
53.In onderdeel 27 van hun toelichting op het tweede middel.