ECLI:NL:PHR:2020:113
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Berekening kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij samenwerkingsverband en toepassing doorschuifregel
Belanghebbende, die samen met zijn echtgenote een vennootschap onder firma (vof) drijft, stelde in cassatie de berekeningswijze van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) voor het jaar 2016 ter discussie. De Rechtbank had geoordeeld dat de KIA wordt berekend over het gezamenlijke investeringsbedrag van de vof, waarna het resterende bedrag na toepassing van de doorschuifregel wordt verdeeld naar rato van de winstverdeling.
Belanghebbende voerde aan dat de KIA niet proportioneel verdeeld moet worden, maar dat ieder vennoot aanspraak kan maken op het volledige bedrag op basis van de wettekst. Tevens stelde hij dat de Rechtbank in strijd handelde met een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2019. De Advocaat-Generaal stelde dat hoewel grammaticale uitleg enige steun geeft aan belanghebbendes methode, deze leidt tot ongerijmde resultaten en niet strookt met de bedoeling van de wetgever.
De Hoge Raad bevestigde dat de berekeningsmethode van de Rechtbank en de Staatssecretaris in overeenstemming is met doel en strekking van de regeling. De KIA wordt eerst vastgesteld over het gezamenlijke investeringsbedrag, daarna wordt het bedrag verminderd met het door te schuiven deel en ten slotte naar winstverdeling toegerekend. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de berekening van de KIA conform de Rechtbank bevestigd.