Conclusie
de vennoot) en verweerder in cassatie (hierna:
de aspirant-vennoot) hebben onderhandeld over een mogelijke samenwerking in een vennootschap onder firma. Het hof heeft, na bewijslevering, geoordeeld dat tussen partijen een mondelinge overeenkomst is tot stand gekomen die erop is gericht dat zij een vof zullen aangaan. De vennoot is veroordeeld tot nakoming van deze (voor)overeenkomst. In cassatie wordt geklaagd dat partijen het niet eens zijn geworden over één van de essentialia van de (voor)overeenkomst: de afwikkeling van een op het bedrijfspand rustende hypotheek. Ook wordt geklaagd dat de oprichting van een vof niet kan worden afgedwongen bij gebreke van de daarvoor vereiste wil tot samenwerking (‘
affectio societatis’) bij één van de betrokken partijen.
1.Feiten en procesverloop
de compagnon) eigenaar geweest van een pand. Op het pand rustte een hypotheek(schuld) van € 209.999,-. Op de begane grond dreven de vennoot en de compagnon een wasserette, in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna ook:
de vof).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen het oordeel van het hof dat tussen partijen de gestelde (voor)overeenkomst is tot stand gekomen (TA2, rov. 2.4.1 e.v.; EA, rov. 2.2 e.v.; EA, dictum onder 3.2).
Onderdeel 2bestrijdt de veroordeling van de vennoot tot nakoming van die overeenkomst (EA, dictum onder 3.3 e.v.).
Onderdeel 3bestrijdt, hierop voortbouwend, de door het hof bepaalde reële executie van de leveringsverplichting betreffende het pand en de opgelegde dwangsommen ter zake van de levering van het aandeel in de vof (EA, dictum onder 3.4 en 3.5).
Onderdeel 4behelst (onder 5.1) een voortbouwende klacht die geen bespreking behoeft.
hypotheekschuldter discussie. In het tweede tussenarrest heeft het hof overwogen dat de partijgetuigenverklaring van de aspirant-vennoot ‘op alle essentiële onderdelen bevestigd’ wordt door de getuigenverklaring van de adviseur (rov. 2.4.1) en door in het tussenarrest genoemde feiten en stukken (rov. 2.4.2). Hiermee is volgens het hof voldaan aan het voorschrift van art. 164 lid 2 Rv Pro, dat een partijgetuigenverklaring slechts kan dienen ter aanvulling van onvolledig bewijs (rov. 2.4.3). In het eindarrest heeft het hof overwogen dat hieraan niet afdoet dat de verklaringen van de aspirant-vennoot en de adviseur op ‘minder relevant geachte’ onderdelen verschillen (rov. 2.6).
nietwerd gesproken over de hypotheekschuld en (iii) dat de adviseur altijd heeft
aangenomendat deze schuld was verdisconteerd in de met de compagnon overeengekomen overnamesom. Gezien deze verklaringen heeft het hof volgens het middel niet kunnen vaststellen dat de partijgetuigenverklaring van de aspirant-vennoot op dit ‘essentiële onderdeel’ – de afwikkeling van de hypotheekschuld – werd bevestigd door de getuigenverklaring van de adviseur, respectievelijk door feiten en stukken als door het hof genoemd. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de afwikkeling van de hypotheekschuld geen essentieel onderdeel vormde van de overeenkomst, is dat oordeel onbegrijpelijk in het licht van onder meer de omschrijving van het overeengekomene in onderdeel 3.2 van het dictum van het eindarrest (
onderdeel 1.1). In het verlengde hiervan wordt geklaagd over het passeren van (essentiële) stellingen van de vennoot, die erop neerkomen dat op 5 september 2013 niet duidelijk was of de aspirant-vennoot het aandeel van de compagnon in de hypotheekschuld zou overnemen (
onderdeel 1.2).
affectio societatis’) bij de betrokken partijen is vereist, en dat waar die wil is komen te ontbreken, geen vof meer tot stand kan komen. Althans heeft het hof miskend dat de bijzondere, hoogstpersoonlijke relatie tussen vennoten in een vennootschap onder firma zich ertegen verzet dat een partij in rechte wordt veroordeeld tot nakoming van een (voor)overeenkomst die strekt tot het aangaan van een vennootschap onder firma (
onderdeel 2.1).
onderdeel 2.2).
affectio societatis’ genoemd. [67] Het gaat hier – gelet op de wilsvertrouwensleer (art. 3:33/3:35 BW), die ook de totstandkoming van maatschaps- en vof-overeenkomsten beheerst – om de zo nodig
objectiefte interpreteren wil tot samenwerking op voet van gelijkheid. [68] Voor het aannemen van ‘
affectio societatis’ is niet vereist dat partijen een gelijkwaardig aandeel (beogen te) hebben in de feitelijke werkzaamheden van het samenwerkingsverband. Het gaat erom dat zij vanuit een gelijkwaardige positie deelnemen aan de
besluitvormingin de maatschap of vof. [69]
affectio societatis’, en die de maatschap en de vof onderscheidt van ‘gewone’ wederkerige overeenkomsten, zoals een koop- of aannemingsovereenkomst. Waar partijen bij zulke overeenkomsten in beginsel tegenover elkaar staan, staan vennoten in een maatschap of vof veeleer náást elkaar: hun samenwerking is gericht op het behalen van gemeenschappelijk voordeel (vgl. art. 7A:1655). [70] In verband hiermee wordt gezegd dat de vennoten samenwerken met het oog op elkaars persoon (‘
intuitu personae’). Dit persoonlijke karakter van de relatie tussen vennoten – dat wel met een huwelijk wordt vergeleken [71] – heeft tot gevolg dat een wisseling in de personele samenstelling in beginsel leidt tot beëindiging van het samenwerkingsverband (vgl. art. 7A:1683 BW). [72]
bewijsvoorschrift, dat bovendien alleen aan de vennoten kan worden tegengeworpen. [75] Concreet betekent dit dat een vennoot het bestaan van een vof tegenover een ontkennende medevennoot of derde slechts door middel van een akte kan bewijzen. [76] Hierop heeft de Hoge Raad één uitzondering aanvaard, namelijk voor het geval dat onweerlegbaar blijkt dat tussen partijen jarenlang en onafgebroken feitelijk een vennootschap onder firma heeft bestaan. In dat geval kan de ontkennende vennoot het ontbreken van een vof-akte niet tegenwerpen aan zijn medevennoot (zoals hij dit ook niet kan tegenwerpen aan derden). [77]
affectio societatis’ zijn schaduw vooruitwerpt over het bewijs van de gestelde voorovereenkomst, die is gericht op het aangaan van een vennootschap onder firma. De vraag is of het hof dit vereiste, behalve bij de bewijswaardering, ook (meer) gewicht had moeten toekennen bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vorderingen tot nakoming van de gestelde voorovereenkomst.
affectio societatis’ – dat tot de essentialia van de vof-overeenkomst behoort – wordt uitgehold. Onder bijzondere omstandigheden zou dit anders kunnen liggen, bijvoorbeeld als de beweerde onwil tot het aangaan van een vof evident ongeloofwaardig is (dus een gelegenheidsargument) of kennelijk slechts van tijdelijke of ondergeschikte aard (dus niet prohibitief voor de toekomstige vof-relatie).
affectio societatis’ is dat een wezenlijk probleem: dat vereiste beoogt juist te voorkómen dat partijen een ongelijkwaardige verhouding aangaan, die niet zou stroken met het rechtskarakter van de vennootschap onder firma (zie alinea 2.18).
voorovereenkomsten– mede van toepassing is op vormvoorschriften met enkel een bewijsrechtelijk karakter, [83] zoals art. 22 WvK Pro. Dit lijkt mij terecht. Zonder die uitbreiding zou het bewijsvoorschrift van art. 22 WvK Pro eenvoudig te omzeilen zijn met een beroep op een vormvrije voorovereenkomst die tot het ondertekenen van een vof-akte verplicht. [84] Hieraan doet niet af dat het bewijsvoorschrift van art. 22 WvK Pro in de literatuur ter discussie staat. Tot nu toe is dat bewijsvoorschrift in wet en rechtspraak gehandhaafd. [85] Bij die stand van zaken dient het zich ingevolge art. 6:226 BW Pro mede uit te strekken tot voorovereenkomsten die verplichten tot het aangaan van een vennootschap onder firma.
onderdeel 3.1). Hetzelfde zou gelden voor de door het hof in onderdeel 3.5 van het dictum van het eindarrest opgelegde dwangsommen ter zake van de levering van het aandeel in de vof (
onderdeel 3.2).
in dit gevalgeen stand kunnen houden. [97]