Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
ex nuncvan het verzoek [10] staat volgens de klacht eraan in de weg dat alleen als voorzorgmaatregel een machtiging tot gedwongen opname wordt gegeven voor het geval dat dit aan de orde zou kunnen zijn in de periode waarvoor de zorgmachtiging wordt verleend. Dit zou immers met zich brengen dat op de werkvloer tot opname in een accommodatie wordt besloten, zonder dat sprake is van een actuele rechterlijke toetsing (in de doorlopende nummering van het cassatierekest: subonderdeel 4). Voor gevallen waarin blijkt dat een zorgmachtiging die voor minder ver strekkende vormen van verplichte zorg is verleend niet meer volstaat en een acute situatie dreigt, voorziet de Wvggz immers in de mogelijkheid van een noodmaatregel. [11] Daarmee voorziet de wet in voldoende mogelijkheden om adequaat op te treden zonder de rechten van de betrokkene in een (te) vroeg stadium in te perken (aldus subonderdeel 5).
nietzijn voorzien. Subonderdeel 10 behoeft geen afzonderlijke bespreking meer, naast hetgeen hiervoor al is opgemerkt over de toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel.
ex nunc’). [22]
ultra petitum’, terwijl materieel hetzelfde is bedoeld. Kwalificatieproblemen in deze laatste categorie zijn meestal op te lossen door middel van uitleg van het verzoekschrift.
ultra petitum’kan gaan).
maximaaltoelaatbaar is, hoort de rechter (…) niet directief te zijn. Hij moet slechts hetzij zijn fiat verlenen, hetzij dat geheel of gedeeltelijk weigeren. In een geval dat het verzoek door de ontwikkelingen blijkt te zijn ingehaald, ligt het op de weg van het OM om dit te wijzigen.
machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel. In cassatie werd geklaagd dat de rechtbank wat betreft de zorgvorm ‘onderzoek aan lichaam of kleding’ meer had toegewezen dan de officier van justitie had verzocht. De Hoge Raad overwoog hierover het volgende:
petitum) mag treden, roept wel de vraag op wat het verzoek precies inhoudt. Wanneer de formulering van het verzoek van de officier van justitie aan de rechter ruimte laat om een keuze te maken uit verschillende vormen van verplichte zorg, behoeft art. 23 Rv Pro niet aan toewijzing in de weg te staan. In rov. 4.4.4 van HR 5 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1012) was sprake van een dergelijk geval:
nietin de machtiging opgenomen wilde zien.
naastde in het verzoekschrift ‘gevorderde’ vormen van verplichte zorg, ook het ‘insluiten’ als vorm van verplichte zorg noodzakelijk is om het ernstig nadeel af te wenden. Deze overweging maakt duidelijk dat het in dit geval niet gaat om een beslissing die voortvloeit uit een ruime uitleg van het verzoek van de officier van justitie (zoals het geval was in HR 5 juni 2020) en evenmin om een ruime interpretatie van het begrip ‘uitoefenen van toezicht op betrokkene’ in de Wvggz. Evenmin gaat het hier om een geval waarin de officier van justitie het uitdrukkelijk aan de rechtbank overliet, te bepalen welke van de wettelijk mogelijke vormen van verplichte zorg in de zorgmachtiging zullen worden opgenomen.
petitumgebonden is zijn schaars, maar komen in het burgerlijk recht wel voor. [37] Zoals gezegd, heeft het onderwerp nu de aandacht van de wetgever.