ECLI:NL:PHR:2020:116
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn bij verstekarrest
Het gerechtshof Den Haag heeft bij verstekarrest van 26 juli 2013 een verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 197 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk. De verdachte stelde cassatie in tegen dit arrest. Het middel betrof de klacht dat de artikelen 366 jo. 415 Sv en artikel 6 EVRM Pro zijn geschonden doordat de verstekmededeling niet met de vereiste voortvarendheid is betekend, waardoor de redelijke termijn werd overschreden.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat binnen één jaar na het verstekarrest geen pogingen zijn ondernomen om de verstekmededeling rechtsgeldig te betekenen. Pas ruim drie jaar later werd een poging gedaan de mededeling uit te reiken. Dit betekent dat de verstekmededeling niet tijdig is betekend, waardoor sprake is van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De conclusie van de AG is dat het middel terecht is voorgesteld en dat het bestreden arrest moet worden vernietigd voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad wordt geadviseerd de straf te verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de straf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn bij betekening.