Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
tweedemiddel, dat klaagt over de afwijzing door het hof van het namens de verdediging gedane (hernieuwde) verzoek tot oproeping van de getuige [betrokkene 1].
niet aannemelijk is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen”. Uit de gang van zaken blijkt immers dat de getuige is verschenen voor de Duitse autoriteiten, terwijl uit de berichtgeving van de Duitse officier van justitie niet blijkt dat een nieuw verhoor niet op korte termijn zou kunnen plaatsvinden, maar slechts dat de getuige zich waarschijnlijk (weer) op zijn zwijgrecht zou beroepen.
nu gelet op de vruchteloze inspanningen die tot op heden zijn verricht om deze persoon als getuige te horen, niet aannemelijk is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen”.
derde middelklaagt dat niet alle redengevende feiten en omstandigheden in de bewijsoverweging van het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Gezien de toelichting op het middel wordt in het bijzonder geklaagd over de overweging van het hof dat de
“verdachte inconsistente verklaringen [heeft] afgelegd over de redenen voor het aantrekken van gelden van de betreffende personen”.
10. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 juli 2008 (pag. 140-144, Pvv01-01), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
het hof begrijpt: o.a. [betrokkene 3] en [betrokkene 4]) de gelden op mijn rekening hebben gestort en ik die gelden weer heb opgenomen en aan [betrokkene 1] heb afgedragen. Deze afdrachten hebben wij niet schriftelijk vastgelegd.
eerste middelklaagt over de overschrijding van de redelijke (inzend)termijn.