Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel bevat de klacht dat het onder 2 bewezenverklaarde opzettelijk aanwezig hebben van hennep niet (zonder meer) uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.
(PF: van het hennepgruis), 635 gram, is aangetroffen in een openstaande kast.
alleruimtes. Daarin ligt als het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof besloten dat de verdachte ook toegang heeft gehad tot de ruimte waarin zich die openstaande kast met hennepgruis bevond.
het onder zijn verantwoordelijkheid vallende pandeen dergelijke hoeveelheid hennep bevond” (cursivering door mij, AG). Hoewel daarover door de steller van het middel niet wordt geklaagd, stel ik vast dat het hof daarmee onjuist noch onbegrijpelijk (mede) tot uitdrukking heeft gebracht dat voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep voldoende is dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden. [4]
tweedemiddel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.