Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelkomt met drie deelklachten op tegen het onder 3 primair bewezenverklaarde gewoontewitwassen.
helftvan de aankoopsom voor het onroerend goed te Oostenrijk heeft voldaan. De andere helft zou door een ander, te weten [betrokkene 1] , worden betaald, maar diegene kon vanwege financieringsproblemen zijn helft niet voldoen, waardoor de verdachte zijn gedeelte van de aankoopsom dreigde kwijt te raken. [9] Deze verklaring vindt vervolgens steun in de door het hof voor het bewijs gebruikte koopovereenkomst, die zakelijk weergegeven inhoudt: een kopie van een (in de Duitse taal) opgestelde koopakte inhoudende dat [betrokkene 1] en de verdachte [verdachte] voor een bepaald bedrag een perceel met gebouw te [plaats] kopen. Een en ander is, zoals de steller van het middel terecht opmerkt, ter terechtzitting van het hof ook aangevoerd. [10] Dat het hof de handelingen van de verdachte heeft aangemerkt als het verwerven van een onroerend goed te Oostenrijk, acht ik dan ook niet zonder meer begrijpelijk. Daarmee slaagt de tweede deelklacht.
tweede middelziet op de overschrijding van de redelijke (inzend)termijn.
verwervingvan de in feit 3 primair onder het eerste gedachtestreepje bewezenverklaarde geldbedragen en niet voor zover het gaat om de
overdrachtdaarvan.