Conclusie
De zaak hangt samen met het door GGN Holding N.V. (hierna: GGN Holding) ingestelde cassatieberoep tegen de beschikking van de ondernemingskamer van 28 januari 2019. [2] In die zaak, aanhangig onder zaaknummer 19/01872, concludeer ik vandaag ook.
1.De feiten
Achtergestelde lening u/g GGN Holding N.V.’ opgenomen van nihil, met een vergelijkend cijfer van € 5.300.408 ultimo 2015. Daartegenover is het bedrag van de Financiële vaste activa/Deelnemingen in groepsmaatschappijen verhoogd met €.243.957 met als omschrijving: ‘
Mutatie in verband met terugdraaien uittreding participant’. In de toelichting is het volgende vermeld:
Rente achtergestelde lening u/g GGN Holding N.V.’ opgenomen voor een bedrag van nihil, met een vergelijkend cijfer van € 547.528 ultimo 2015.
Mutatie in verband met terugdraaien uittreding participant’. Op de balanspost Overige reserves heeft een bijboeking van € 574.730 plaatsgevonden met dezelfde omschrijving. Onder de balanspost Langlopende schulden is de post ‘
Achtergestelde lening o/g [verweerster] B.V.’ opgenomen voor een bedrag van nihil, met een vergelijkend cijfer van € 5.295.458 ultimo 2015.
[verweerster] B.V.’ opgenomen voor een bedrag van nihil, met een vergelijkend cijfer van € 542.893 ultimo 2015.
Rente achtergestelde lening u/g GGN Holding N.V.’ opgenomen voor een bedrag van nihil, met een vergelijkend cijfer van € 233.075 in 2015. Onder de post ‘Rente achtergestelde lening o/g [verweerster] B.V.’ is een rentelast van € 4.635 vermeld, met een vergelijkend cijfer van € 233.075 in 2015.
2.Het procesverloop
Bij de classificatie van financiële instrumenten in de enkelvoudige jaarrekening als eigen vermogen of als vreemd vermogen is de juridische vorm bepalend. Dit betekent bijvoorbeeld dat aandelen worden gerubriceerd als eigen vermogen en schulden als vreemd vermogen.”
de juridische vorm” naar het oordeel van de Ondernemingskamer in die zin te worden uitgelegd, dat uit het vermogensrecht voortvloeiende verplichtingen worden verantwoord als onderdelen van het vreemd vermogen van de rechtspersoon. Gelet op de essentiële functie van de afbakening van eigen vermogen en vreemd vermogen wordt alleen op die wijze recht gedaan aan het door art. 2:362 BW Pro vereiste inzicht in het vermogen en het resultaat dan een zuiver goederenrechtelijke uitleg.
onder marktconforme voorwaarden”, waartoe de Participantenovereenkomst noopt.
juridische vorm” niet is gewijzigd ten opzichte van de situatie (ultimo) 2013 tot en met 2015. De gewijzigde bepaling van het vermogen en het resultaat voldoet ook in die zin niet aan het wettelijk vereiste inzicht, omdat die wijziging noch als een stelselwijziging noch als een herstel van fouten is aangegeven, en voorts de vergelijkende cijfers niet zijn aangepast.
achtergestelde lening’ in de jaarrekeningen 2013 tot en met 2015 en dat zij in punt 69 van het verzoekschrift met zoveel woorden te kennen geven de toelichting en aanduiding van de lening in die jaarrekeningen aan te merken als een “
begrijpelijke, relevante en betrouwbare weergave van de werkelijke vermogenspositie”.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
(…).
Het ontwerp heeft de bevoegdheid te klagen dat de jaarrekening niet voldoet aan de eisen uitgebreid tot iedere belanghebbende. Het gaat dus verder dan het wetsontwerp herziening van het enquêterecht, waarin precies is aangegeven, wie een verzoek om een enquête(…) kunnen doen. In dit wetsontwerp spreken wij over iedere belanghebbende om de rechter de ruimte te laten te beoordelen wie dit recht moet hebben. Ik vermoed dat de rechter een ruime uitleg zal geven. In diverse andere wetten staat „iedere rechtstreeks belanghebbende”, maar in dit wetsontwerp staat het woord „rechtstreeks” er niet bij.
De rechter vermijdt algemene uitspraken. Een verstandige rechter zal slechts zeer sporadisch zeggen: Die groep is nooit belanghebbende en een andere groep altijd. Ook daarvan geloof ik dat ik de nieuwsgierigheid van de geachte afgevaardigde op dat punt niet verder kan bevredigen. Ik kan alleen maar een beetje aangeven, hoe het mij op het eerste gezicht lijkt.” [18]
Kernergiecentrale-arrest uit 1985 overwoog de Hoge Raad – indachtig minister Polak’s onder 3.5 hiervoor aangehaalde zinsnede “een belang ter bescherming waarvan deze rechtsgang mogelijk wordt gemaakt” [24] – dat:
Kernenergiecentrale-arrest, zal voor het vereiste belang bij de jaarrekeningprocedure moeten aantonen dat de verlangde wijziging van de jaarrekening ertoe kan leiden dat een specifiek en concreet nadeel wordt ongedaan gemaakt of verminderd (“nee, tenzij”). Een verzoeker die wel tot de kring behoort hoeft dus geen feiten of omstandigheden te stellen waaruit valt af te leiden dat voor hem nadeel is verbonden aan de wijze waarop de jaarrekening is ingericht. Een verzoeker die tot de kring behoort, wordt verondersteld belanghebbende te zijn. Maeijer betwijfelt in zijn noot onder het arrest of ook een individuele werknemer tot de kring behoort. [26] Korte tijd later, in het
De Schelde-arrest uit 1987, heeft de Hoge Raad aanvaard dat een werknemer van de vennootschap wier jaarrekening in de procedure voorwerp van geschil is in beginsel (“ja, tenzij”) tot de kring behoort:
3.3 De omstandigheid dat de werknemer behoort tot de hiervoor bedoelde kring, brengt mee dat te zijnen aanzien het door art. 999 [thans art. 2:448 BW Pro. A-G] vereiste belang om door middel van de jaarrekeningprocedure op te komen tegen de inrichting van de in dat artikel bedoelde stukken, wordt verondersteld, zodat hij in die procedure geen feiten of omstandigheden behoeft te stellen waaruit valt af te leiden dat voor hem nadeel is verbonden aan de wijze waarop die stukken zijn ingericht.
3.4 Maar hij kan niet als belanghebbende in vorenbedoelde zin gelden, indien zijn wederpartij in de procedure stelt, en in geval van een betwisting bewijst, dat achterwege blijven van de door hem verlangde wijziging in de inrichting der stukken, gelet op de omstandigheden van het geval, geen nadeel voor hem in zijn betrokkenheid als werknemer bij de onderneming kan opleveren. Alsdan zal hij in zijn vordering dus niet kunnen worden ontvangen.” [27]
De Schelde-arrest op de vraag of dit door de Hoge Raad voor de werknemer aangenomen voor tegenbewijs vatbare vermoeden van behoren tot de kring ook geldt voor anderen van wie wordt aangenomen dat zij tot de kring behoren, zoals aandeelhouders. Maeijer laat het antwoord op die vraag in zijn noot onder het arrest nog in het midden, [28] maar is in zijn bewerking van het Asser-deel De naamloze en de besloten vennootschap “toch (…) geneigd aan te nemen dat zij [de mogelijkheid van tegenbewijs uit rov. 3.4 van het
De Schelde-arrest, A-G] steeds geldt, ook indien het bijvoorbeeld gaat over een aandeelhouder als belanghebbende, al zal het dan niet gemakkelijk zijn dit tegenbewijs te leveren.” [29]
De Schelde-arrest heeft de Hoge Raad in het
Vendex-arrest bevestigd dat een aandeelhouder van de vennootschap wier jaarrekening in de procedure voorwerp van geschil is tot de kring behoort:
De Schelde-arrest voor een werknemer aanvaarde uitzondering waarin de wederpartij kan stellen, en in geval van een betwisting bewijzen, dat het achterwege blijven van de wijziging in de inrichting van de jaarrekening geen nadeel voor hem kan opleveren, ook met betrekking tot een aandeelhouder geldt. [31] De literatuur is verdeeld over de vraag of de aandeelhouder, evenals de werknemer, door tegenbewijs uit de kring zou kunnen vallen. Door Beckman wordt het standpunt gehuldigd dat een aandeelhouder per definitie behoort tot de kring. [32] Hij onderscheidt de aandeelhouder, vanwege het ontbreken van de mogelijkheid tot tegenbewijs, als een afzonderlijke categorie en spreekt daarom ook wel van drie-kringenleer. [33] Beckman beroept zich voor dit standpunt op oudere rechtspraak van de ondernemingskamer, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis (zie ook onder 3.4 hiervoor). [34] Hij signaleert echter ook dat de ondernemingskamer in 1997 al oordeelde dat de aandeelhouders
verondersteldworden het vereiste belang te hebben bij het instellen van een jaarrekeningprocedure, hetgeen ook met betrekking tot aandeelhouders ruimte lijkt te laten voor de “ja-tenzij”-benadering uit het
De Schelde-arrest. [35] In het
Prins Holding-arrest uit 2008 heeft de ondernemingskamer de formule uit rov. 3.4 van het
De Schelde-arrest doorgetrokken naar aandeelhouders:
De Schelde-uitzondering ook in andere jaarrekeningprocedures aanvaard met betrekking tot aandeelhouders. [38] Deze lijn heeft bijval gekregen van Hijink in zijn noot onder de bestreden beschikking. [39]
actio popularisen een papieren tijger. [40] Dat geldt ook in het verband van de jaarrekeningprocedure. [41] Iedere belanghebbende wil niet zeggen “iedereen”. [42] Het is aan de rechter om in een concreet geval te bepalen of het vereiste belang aanwezig is. Het onderscheid dat daarbij wordt gemaakt tussen het al dan niet behoren tot de kring is procesrechtelijk van aard. Voor degenen die behoren tot de kring wordt het belang bij de inrichting van de jaarrekening tot op tegenbewijs door de rechtspersoon verondersteld. Voor degenen die niet tot de kring behoren, geldt dat zij zelf moeten stellen en zo nodig bewijzen dat zij het vereiste belang hebben. De hoedanigheid van een verzoeker is dus een belangrijk (maar niet zonder meer beslissend) gezichtspunt voor de rechter bij het beoordelen of diegene belanghebbende is. Uit de formulering in het
Vendex-arrest blijkt dat het houden van één aandeel reeds kan volstaan om te behoren tot de kring. Een redelijke uitleg van het belanghebbende-begrip brengt dan mijns inziens mee dat de vennootschap steeds de mogelijkheid van tegenbewijs heeft. [43] Het verwerven van een aandeel in de vennootschap kan dus procesrechtelijk een voordeel met zich brengen (het antwoord op de ontvankelijkheidsvraag verspringt van “nee, tenzij” naar “ja-tenzij”), maar doet de ontvankelijkheid mijns inziens niet zonder meer vaststaan. De vennootschap heeft ook dan, evenals in het geval van bijvoorbeeld de werknemer, nog de mogelijkheid te stellen, en bij een betwisting te bewijzen, dat het achterwege blijven van de door de houder van een enkel aandeel verlangde wijziging in de inrichting van de jaarrekening geen nadeel voor hem in zijn betrokkenheid bij de onderneming kan opleveren. De aandeelhouder en de werknemer behoren anders gezegd tot een en dezelfde kring. [44]
NABA-arrest beslist dat zij in beginsel niet tot de (eerste) kring behoren:
NABA-arrest het oordeel van de ondernemingskamer dat gesteld nog gebleken is dat de crediteur aan deze maatstaf voor het vereiste belang voldoet. [47] In latere rechtspraak heeft de ondernemingskamer aanvaard dat een crediteur in de gegeven omstandigheden wel het vereiste belang had. In het
Triavium-arrest wordt de crediteur door de ondernemingskamer zelfs aangemerkt als te behoren tot de (eerste) kring. [48] Ik memoreer in dit verband minister Polak’s woorden dat het bij crediteuren afhangt van het concrete geval en “met name van de aard van hun verlangens” of zij het vereiste belang hebben (zie onder 3.4 hiervoor). Een gewone handelscrediteur (in de woorden van de minister: “uit hoofde van leveringen of dienstverlening”) zal doorgaans niet het vereiste belang bij de jaarrekeningprocedure hebben. Er kunnen echter bijkomende omstandigheden zijn die dat anders maken. In de
Triavium-zaak was volgens mij (ik abstraheer van de moeder-dochterverhouding die daar speelde) beslissend voor ontvankelijkheid van de crediteur dat betaling van aflossing en rente van zijn lening afhankelijk waren gesteld van een zekere mate van solvabiliteit van de vennootschap en de bezwaren van de crediteur tegen de jaarrekening er juist op zagen dat deze ten onrechte een te lage solvabiliteit liet zien. De crediteur werd anders gezegd door de wijze waarop de jaarrekening was ingericht zodanig in een eigen belang getroffen dat hij in de jaarrekeningprocedure behoorde te mogen opkomen ter bescherming van dat belang.
buitenhet verband van de jaarrekeningprocedure heeft ontwikkeld. [49] In de
Leonhard Woltjer Stichting-beschikking overwoog de Hoge Raad:
in beginsel– dus weerlegbaar – als belanghebbende aan. Maeijer stelt in zijn noot onder het arrest dat het “er naar uit[ziet] dat de kringenleer, met enige modulaties al naar gelang het betreffende geval, zich er voor leent gehanteerd te worden ter bepaling van het begrip belanghebbende in procedures waarbij een onderneming of rechtspersoon is betrokken.” [51] Deze verwachting is uitgekomen. In de recente
Stichting ANV Fondsen-beschikking bijvoorbeeld overweegt de Hoge Raad dat bij de vraag of iemand belanghebbende in de zin van art. 2:298 lid 1 BW Pro, art. 2:299 BW Pro en art. 2:21 lid 4 BW Pro is:
Daar tegen de straf als primaire sanctie (…) verscheidene bezwaren kunnen worden geopperd, heeft de commissie nagegaan, of er niet reden toe is, de waarborg voor de naleving der wettelijke bepalingen in de eerste plaats te zoeken in de controle hetzij van een administratief overheidsorgaan, hetzij van de burgerlijke rechter. In de Verenigde Staten is de keuze tussen deze twee instanties, voor wat betreft de inhoud van de jaarstukken, op eerstgenoemde gevallen: de Securities Exchange Commission ontvangt de jaarstukken van alle belangrijke ondernemingen, beoordeelt in hoeverre deze voldoen aan redelijke eisen van verslaggeven en is bevoegd, bindende aanwijzingen omtrent de opstelling der jaarrekening te geven. Dit stelsel werkt bevredigend en is in de litteratuur ook voor Nederland in de vorm van een ‘vennootschapskamer’ aanbevolen.” [54]
Nedlloyd-arrest van de Hoge Raad over een verzoek op de voet van art. 2:448 lid 1 onder Pro b BW van toen nog de procureur-generaal bij het hof Amsterdam in het openbaar belang (zie onder 3.3 hiervoor). De woorden “in het openbaar belang” kwamen nog niet voor in het rapport van de Commissie Verdam maar zijn in de wet opgenomen om de bevoegdheid van de P-G om in rechte op te treden te beperken (rov. 4.2). [60] Volgens de Hoge Raad volstaat voor een verzoek van de P-G in het openbaar belang niet “de enkele omstandigheid dat naar zijn oordeel een jaarrekening niet overeenkomstig de wettelijke vereisten is ingericht” (rov. 4.3). Het moet gaan om een “specifiek openbaar belang” waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat “het enkele belang gelegen in nakoming van de wet niet is een openbaar belang dat een optreden van de P-G (…) wettigt” (rov. 4.4). Het is aan de P-G feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan kan worden aangenomen dat het openbaar belang de gevorderde wijziging vergt (rov. 4.5). Of in een concreet geval een openbaar belang bestaat, is afhankelijk van de waardering van tal van feiten en omstandigheden zoals:
Nedlloyd-arrest op dat de toevoeging in het openbaar belang beoogt te verzekeren “dat een rechtspersoon niet ten onrechte, dus onnodig, in een bezwarende jaarrekeningprocedure verwikkeld raakt.” [63] De civielrechtelijke context van de jaarrekeningprocedure brengt anders gezegd met zich dat de reikwijdte van de “handhaving” beperkter is dan het geval zou zijn als bijvoorbeeld een vennootschapskamer was ingesteld. [64] Ook bij de toepassing van de kringleer van art. 2:448 onder Pro a BW gaat het volgens mij om zo’n integrale beoordeling, waarbij dus niet de hoedanigheid van de verzoeker zonder meer doorslaggevend is, maar bijvoorbeeld ook het belang van de rechtspersoon een rol kan spelen. [65] Willems heeft in dat verband over de kringleer in de jaarrekeningprocedure opgemerkt:
Prins Holding-arrest (zie onder 3.8 hiervoor). In die procedure stond tussen partijen vast dat eisers aandeelhouders waren van Prins Holding en – aldus behorende tot de kring – in beginsel in hun vorderingen zouden kunnen worden ontvangen (rov. 3.3-3.4). De ondernemingskamer liet de in het
De Schelde-arrest voor werknemers aanvaarde mogelijkheid van tegenbewijs toe, hetgeen in de
Prins Holding-zaak tot niet-ontvankelijkverklaring van de aandeelhouders leidde (rov. 3.8 en het dictum). Aan dat niet-ontvankelijkheidsoordeel heeft de ondernemingskamer in rov. 3.5-3.6 het volgende ten grondslag gelegd:
Prins Holding-zaak illustreert ook dat de ondernemingskamer hier, evenals de Hoge Raad in het
Nedlloyd-arrest bij het openbaar belang-vereiste, uitgaat van een integrale beoordeling, waarin uitdrukkelijk het belang van de rechtspersoon bij de verlangde wijzigingen in de jaarrekening wordt meegewogen. Hierin verschilt de jaarrekeningprocedure van sommige andere procedures waarbij een rechtspersoon betrokken is. Zo overweegt de Hoge Raad in zijn
Stichting ANV Fondsen-beschikking:
Prins Holding-zaak, toch niet-ontvankelijk worden verklaard. Mijns inziens valt er veel voor te zeggen dit onderscheid dat in de rechtspraak is ontstaan te laten vervallen. Dat betekent voor de jaarrekeningprocedure niet dat de kringleer moet worden verlaten, maar wel dat de betekenis daarvan enigszins kan worden genuanceerd. De ontvankelijkheidsvraag vergt een formele beoordeling waarbij het achterliggende geschil nog geen rol hoort te spelen. Willems drukt die formele benadering van de ontvankelijkheidsvraag treffend als volgt uit:
een eigen belangkunnen worden getroffen dat zij daarin behoren te mogen opkomen ter bescherming van dat belang en de tweede kring door degenen die anderszins zo nauw betrokken zijn of zijn geweest bij het onderwerp dat in de jaarrekeningprocedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om te verschijnen. In die formulering gaat het – in de woorden van Willems – ook meteen over datgene waarover het gaat. Dat eigen belang van de verzoeker kan al naar gelang de omstandigheden van het geval meer juridisch of economisch gekleurd zijn. Hiermee komt minder nadruk te leggen op de hoedanigheid van de verzoeker. Dat sluit aan bij de economische werkelijkheid waarin “de” aandeelhouder niet bestaat. De minister heeft daar in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de WJO al oog voor als hij stelt dat het belang van houders van (met medewerking van de vennootschap uitgegeven) certificaten van aandelen op één lijn kan worden gesteld met dat van de aandeelhouders. Certificaathouders hebben immers ook “rechtstreeks belang bij de stand van het vermogen en bij het resultaat der onderneming (zie onder 3.4 hiervoor). Evenals bijvoorbeeld bij de ontvankelijkheidsvraag in de enquêteprocedure [70] leidt het rekening houden met de economische werkelijkheid in de jaarrekeningprocedure mijns inziens tot
uitbreidingvan de ontvankelijkheid. [71] Het scheiden van het aandeelhouderschap in juridische en economische zin, zoals bijvoorbeeld in het geval van certificering van aandelen, leidt niet ertoe dat de aandeelhouder in juridische zin niet langer ontvankelijk is. Het leidt ertoe dat de certificaathouder, op basis van zijn economische belang, op één lijn kan worden gesteld met de aandeelhouder en daarmee ook, náást (niet in de plaats van) de aandeelhouder in juridische zin, in de procedure kan worden ontvangen.
kande rechtspersoon die standaarden ook in de enkelvoudige jaarrekening toepassen. De onderhavige jaarrekeningprocedure gaat over de enkelvoudige jaarrekening van GGN Brabant die is opgesteld volgens titel 9 van Boek 2 BW. [74]
KPN/SOBI-zaak heeft de Hoge Raad over de status van deze Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving het volgende overwogen:
substance over form. [81] Hoogendoorn heeft over dit beginsel opgemerkt:
substance over form-beginsel in de bestreden beschikking vanuit de vorm, door uitleg te geven aan het begrip “de juridische vorm” in de zin van RJk B8.106. In de literatuur wordt onderkend dat de juridische vorm niet veel houvast biedt en dat niet duidelijk is welke aspecten van de juridische vorm wel of niet relevant zijn bij de classificatie als vreemd of eigen vermogen. Camfferman heeft verder in dit verband opgemerkt:
NABA-arrest, waarop het sub-subonderdeel zich kennelijk beroept [86] , doet zich hier niet voor. In het
NABA-arrest heeft de Hoge Raad beslist dat een crediteur niet louter uit hoofde van zijn hoedanigheid van crediteur wordt gerekend tot de kring (zie onder 3.10 hiervoor). [verweerster] is niet een dergelijke crediteur. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag.
Prins Holding-arrest. GGN Brabant wijst erop dat zij gemotiveerd heeft gesteld dat [verweerster] geen nadeel ondervindt van de wijze van inrichting van de jaarrekening. [verweerster] heeft daartegenover gesteld als crediteur in geval van faillissement beter af te zijn als de verplichting als vreemd vermogen en niet als eigen vermogen is verwerkt. De ondernemingskamer heeft volgens GGN Brabant vervolgens verzuimd te beoordelen of het nadeel waarover partijen debatteren kan optreden en dan zodanig is dat [verweerster] ontvankelijk is. Volgens haar is daarbij van belang dat [verweerster] in het geheel niet heeft gesteld dat de nagestreefde wijzigingen in de jaarrekening voor haar nadeel in haar betrokkenheid bij de onderneming als aandeelhouder kan opleveren.
De Schelde-arrest, dat de ondernemingskamer in van het
Prins Holding-arrest heeft doorgetrokken naar aandeelhouders, ook in dit geval van toepassing is (zie onder 3.8-3.9 hiervoor). Zoals de ondernemingskamer in rov. 3.8 heeft onderkend heeft GGN Brabant gesteld dat [verweerster] “geen enkel nadeel” kan ondervinden van de wijze van inrichting van de Jaarrekening omdat de feitelijke en juridische positie van [verweerster] ten opzichte van GGN Brabant “is wat zij is en [niet] verandert als het betreffende bedrag wordt opgenomen als vreemd vermogen in plaats van eigen vermogen.” [verweerster] heeft daar tegenover gesteld, zoals ook door de ondernemingskamer in rov. 3.4 wordt onderkend, dat zij specifiek en concreet nadeel lijdt doordat haar vorderingen op GGN Brabant niet in de Jaarrekening zijn verantwoord. De ondernemingskamer heeft vervolgens in rov. 3.9 geoordeeld dat GGN Brabant het vereiste belang bij de beoordeling in rechte van haar bezwaar tegen de Jaarrekening heeft. De ondernemingskamer heeft dus niet verzuimd te beoordelen of het nadeel waarover partijen debatteren kan optreden en zodanig is dat [verweerster] ontvankelijk is. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag. Dat geldt ook voor zover wordt geklaagd dat hierbij ook van belang is dat [verweerster] in het geheel niet heeft gesteld dat de nagestreefde wijzigingen in de jaarrekening voor haar nadeel in haar betrokkenheid als aandeelhouder kan opleveren. Uit de onder 3.16 hiervoor aangehaalde passages uit de Pleitaantekeningen zijdens [verweerster] van 19 april 2018 blijkt dat zij dat wel heeft aangevoerd. Ook in zoverre mist de klacht dus feitelijke grondslag.
concrete wijzigingennadeel voor haar zou kunnen opleveren. Op die verlangde concrete wijzigingen gaat de ondernemingskamer in het geheel niet in.
Prins Holding-arrest, niet in is geslaagd het bewijsvermoeden dat [verweerster] als juridisch aandeelhouder wordt verondersteld belanghebbende te zijn, te ontzenuwen.
Prins Holding-arrest. In dat arrest heeft de ondernemingskamer onder meer overwogen: “In het licht van dit gemotiveerde betoog van Prins Holding dat – naar blijkt uit hun eigen stellingen – door […] c.s. wordt onderschreven, is de Ondernemingskamer van oordeel dat […] c.s. onvoldoende hebben gesteld en toegelicht – en dat evenmin anderszins is gebleken – dat en waarom, integendeel, het achterwege blijven van de door hen nagestreefde wijzigingen in de inrichting van de jaarrekening 2005 en bijbehorende stukken voor hen nadeel in hun betrokkenheid bij de onderneming als aandeelhouder kan opleveren.” (zie onder 3.14 hiervoor). De klacht maakt niet duidelijk dat en waarom de ondernemingskamer dat in de onderhavige beschikking zou hebben miskend. Het onderhavige geval verschilt van het
Prins Holding-arrest. [verweerster] heeft in het onderhavige geval wél voldoende gesteld en toegelicht dat en waarom het achterwege blijven van de nagestreefde wijzigingen voor haar nadeel in haar betrokkenheid bij de onderneming zou opleveren (zie onder 3.16 hiervoor). Het subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
De Schelde-uitzondering die de ondernemingskamer in het
Prins Holding-arrest heeft doorgetrokken naar aandeelhouders (zie onder 3.8 hiervoor). Het tweede deel van de zin “en [verweerster]
daardoormaterieel geen enkel te respecteren belang heeft bij haar verzoek (art. 3:303 BW Pro)” moet niet, zoals het subonderdeel doet, gelezen worden als een aanvullend vereiste, maar duidt slechts op de gevolgtrekking van niet-ontvankelijkheid. In het
De Schelde-arrest werd die gevolgtrekking geformuleerd als “Alsdan zal hij in zijn vordering
dusniet kunnen worden ontvangen.” (zie onder 3.7 hiervoor). Uit rov. 3.9, waarin de ondernemingskamer aan de hand van de maatstaf uit rov. 3.6 de ontvankelijkheid van [verweerster] beoordeelt, blijkt ook niet dat de ondernemingskamer meer of een andere betekenis heeft toegekend aan de desbetreffende zinsnede uit rov. 3.6 dan de gevolgtrekking dat [verweerster] alsdan niet in de jaarrekeningprocedure zou kunnen worden ontvangen. Het subonderdeel faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ik memoreer (zie onder 3.33 hiervoor) dat de zinsnede in rov. 3.9 “materieel geen enkel te respecteren belang” gelezen moet worden in het licht van rov. 3.8.
de juridische vorm” in RJk B8.106 zo moet worden uitgelegd, dat uit het vermogensrecht voortvloeiende verplichtingen worden verantwoord als onderdelen van het vreemd vermogen, is om dezelfde reden onbegrijpelijk.
waarschijnlijkin de zin van B9.106 RJk is dat op enig moment voldoende liquide middelen aanwezig zullen zijn om de waarde van de door [verweerster] gehouden aandelen ten belope van ruim € 5 miljoen te kunnen vergoeden. Zonder nadere motivering valt daarom ook niet in te zien waarom waarschijnlijk is dat op enig moment de betalingsverplichting van GGN Brabant aan [verweerster] opeisbaar wordt.
waarschijnlijkis dat op enig moment voldoende liquide middelen aanwezig zullen zijn om de waarde van de door [verweerster] gehouden aandelen te kunnen vergoeden te meer niet valt in te zien tegen de achtergrond dat (i) het door GGN Brabant aan [verweerster] te betalen bedrag groot is, (ii) drie andere aandeelhouders eerst zullen moeten worden betaald voordat [verweerster] aan de beurt is, (ii) de financiële situatie en de liquiditeitspositie van GGN Holding uiterst precair zijn en ING Bank op 30 mei 2013 zelfs liet weten dat de financiële situatie van GGN Holding zodanig nijpend was dat sprake was van een potentiële grond om het krediet op te zeggen.
onder marktconforme voorwaarden”, waartoe de Participantenovereenkomst noopt.” Verder is van belang dat de ondernemingskamer in rov. 3.30 onder meer heeft geconcludeerd dat “het verzoek toewijsbaar is voor zover het een aanwijzing aan GGN Brabant betreft om in de balans een verplichting op te nemen voor hetgeen GGN Brabant uit hoofde van de Participantenovereenkomst en de afspraken van 3 april 2013 aan [verweerster] verschuldigd is. De verplichting kan, afhankelijk van de (on)zekerheid over de omvang daarvan, worden gepresenteerd in de vorm van een schuld of van een voorziening. GGN Brabant dient op deze post een toelichting te verstrekken die recht doet aan die Participantenovereenkomst, met name aan het bepaalde in artikel 5 lid 23 daarvan Pro, en aan de afspraken van 3 april 2013.”
nietdat als aan de voorwaarde is voldaan dat onvoldoende liquide middelen bestaan om de aandelen in te kopen er geen betalingsverplichting ontstaat. Als naar het oordeel van de tussenholding de vennootschap onvoldoende liquide middelen heeft om het bedrag op dat moment te voldoen, moet een overeenkomst van geldlening onder nader overeen te komen marktconforme voorwaarden worden gesloten. De Participantenovereenkomst noopt anders gezegd tot het aangaan van een voor partijen aanvaardbare leningsovereenkomst onder marktconforme voorwaarden (rov. 3.25). In zoverre is ook begrijpelijk dat de ondernemingskamer heeft geoordeeld dat [verweerster] verstrekker van vreemd vermogen is geworden. Liquiditeitsbeperkingen aan de zijde van GGN waarop het subonderdeel wijst, kunnen naar het oordeel van de ondernemingskamer van belang zijn voor de modaliteiten van de te sluiten lening, maar niet ertoe leiden dat die verplichting in het geheel niet hoeft te worden aangegaan. Daarom laat de ondernemingskamer, afhankelijk van de (on)zekerheid over de omvang van de verplichting uit hoofde van de Participantenovereenkomst en de afspraken van 3 april 2013 ook de mogelijkheid open dat de verplichting in de vorm van een voorziening in plaats van een schuld wordt gepresenteerd (rov. 3.30). Hierop strandt sub-subonderdeel 2.3.2. Voor de in sub-subonderdeel 2.3.3 genoemde omstandigheden geldt dat die meegenomen kunnen worden in de toelichting op de schuld of de voorziening. Die toelichting dient volgens rov. 3.30 immers recht te doen aan de Participantenovereenkomst, met name het bepaalde in art. 5 lid 23 en Pro aan de afspraken van 3 april 2013 (rov. 3.23 en rov. 3.30). Sub-subonderdeel 2.3.4 gaat uit van de onjuiste premisse dat mogelijk geen betalingsverplichting aan [verweerster] op de balans hoeft te worden opgenomen. In het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 3.30 dat de betalingsverplichting onder het vreemd vermogen als schuld of voorziening verwerkt dient te worden ligt onmiskenbaar een waarschijnlijkheidsoordeel besloten. [91]
vreemdvermogen in de Jaarrekening verwerkt. Dat kan naar het oordeel van de ondernemingskamer als een schuld of als een voorziening. De wet maakt onderscheid tussen voorzieningen (art. 2:374 BW Pro) en schulden (art. 2:375 BW Pro). [97] Voorzieningen en schulden hebben met elkaar gemeen dat zij als verplichtingen tot het vreemd vermogen worden gerekend. Het principiële verschil tussen schulden en voorzieningen is de mate van zekerheid over de omvang van de verplichting en/of het tijdstip waarop de verplichting tot een uitstroom van middelen leidt. [98] In de praktijk is het onderscheid tussen schulden en voorzieningen niet altijd scherp te maken. De toelichting – vergelijk de in cassatie onbestreden aanwijzing van rov. 4 onder d – dient nadere informatie te bevatten over de mate van zekerheid van de verplichting. [99] Het is begrijpelijk dat de ondernemingskamer niet is getreden in de keuze of sprake is van een schuld of voorziening. De ondernemingskamer heeft immers in het midden gelaten of GGN Brabant en GGN Holding in gebreke en in verzuim zijn en of (vanaf enig moment) sprake is van een opeisbare vordering (rov. 3.27) en heeft zich ook niet uitgelaten over de overeenkomst van geldlening (rov. 3.28) en heeft overwogen dat het aan de rechtspersoon is om binnen de grenzen van de redelijkheid te bepalen welke gevolgen aan de (toelichting op) de jaarrekening zij verbindt aan (haar standpunten in) juridische geschillen (rov. 3.29). Tegen de achtergrond van de door de ondernemingskamer in rov. 3.30 opengelaten keuze aan de rechtspersoon tussen verwerking van de verplichting als schuld of voorziening moet de aanwijzing in rov. 4 onder c worden begrepen: “GGN Brabant dient in haar winst- en verliesrekening de aan het jaar 2016 toe te rekenen rente met betrekking tot de in a) vermelde verplichting te verantwoorden”. Als de verplichting als een schuld wordt gepresenteerd is een aan het jaar 2016 toe te rekenen rente aan de orde die in de winst- en verliesrekening dient te worden opgenomen. Afhankelijk van de mate van (on)zekerheid kan als de verplichting als een voorziening wordt gepresenteerd toerekening van rente aan het jaar 2016 niet aan de orde zijn. De aanwijzing in rov. 4 onder c en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen zijn in zoverre niet onbegrijpelijk geformuleerd. De aanwijzing hangt samen met de wijze waarop de verplichting als bedoeld in de aanwijzing in rov. 4 onder a wordt gepresenteerd.