Conclusie
Kolom-beschikking, waarin is beslist dat de werknemer wiens arbeidsovereenkomst gedeeltelijk wordt beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding. [1] Heeft de werknemer die na langdurige arbeidsongeschiktheid wordt herplaatst
in een lager betaalde functieook aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding? Zo ja, hoe moet die transitievergoeding worden berekend?
1.Feiten
Indien de werknemer die 35% of meer arbeidsongeschikt is, wordt ontslagen op grond van ziekte of arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.8, welke ziekte of arbeidsongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd en waarbij herstel binnen 6 maanden na deze 24 maanden redelijkerwijs niet is te verwachten, zal de werkgever aansluitend een zelfde dan wel een gelijkwaardige arbeidsovereenkomst aangaan met de werknemer, in een betrekkingsomvang die overeenkomt met zijn restvaliditeit, tenzij dit op grond van door de werkgever te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden redelijkerwijs van hem niet gevergd kan worden.
(…) Bij voortzetting van het dienstverband maken werkgever en werknemer afspraken over de inhoud van de functie en de daarbij behorende beloning. De afspraken in het kader van een voortzetting van het dienstverband worden schriftelijk bevestigd aan de werknemer. Het eventuele verschil tussen het oude en het nieuwe salaris wordt gedurende een periode van 5 jaar voor 65% gecompenseerd. Op deze compensatie wordt een eventueel recht van de werknemer op een wettelijke of bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, waarvan sprake kan zijn in verband met uren- of salarisverlies, in mindering gebracht.
Het dienstverband van de werknemer in het tweede lid, mag in meerdere functies met een verschil van 3 of minder salarisschalen worden voortgezet.
De voorgaande leden zijn van toepassing met inachtneming van de regeling ziekte en arbeidsongeschiktheid primair onderwijs (ZAPO).”
deze blijvende ongeschiktheid onafgebroken 2 jaar heeft geduurd en;
herstel binnen een periode van 6 maanden na deze 2 jaar redelijkerwijs niet is te verwachten en;
er bij de werkgever voor de werknemer geen reële herplaatsingsmogelijkheden zijn.”
2.Procesverloop
Kolom [10] ) de vraag oproept of Werkneemster daarnaast recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding als vergoeding voor het substantiële inkomensverlies dat zij lijdt als gevolg van herplaatsing in een functie die is ingedeeld in een lagere salarisschaal (rov. 3.7). In verband daarmee overweegt het hof voornemens te zijn om op de voet van art. 392 lid 2 Rv Pro prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad (rov. 3.8). Het hof stelt partijen in de gelegenheid om zich over de voorgestelde vragen uit te laten. [11] Beide partijen hebben ingestemd met het voornemen om prejudiciële vragen te stellen.
Inleiding
Dient met een vermindering van de arbeidsduur gelijkgesteld te worden een vermindering van het salaris als gevolg van een functiewijziging, met dien verstande dat in dat geval ook récht op een transitievergoeding bestaat naar evenredigheid van de salarisvermindering?
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: gelden voor een dergelijke functiewijziging dezelfde eisen als genoemd in r.o. 3.5.5 van de Kolom- beschikking?
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: geldt dan ook dat het moet gaan om een substantiële en structurele salarisvermindering in dier voege dat het moet gaan om een vermindering van tenminste twintig procent die naar redelijke verwachting, blijvend zal zijn?
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: indien sprake is van zowel een vermindering van arbeidsduur als van salaris, hoe moet in dat geval dan de transitievergoeding worden berekend?
3.Bespreking van de prejudiciële vragen
De Kolom-beschikking
Kolom-beschikking heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de verschuldigdheid van een transitievergoeding in het geval de arbeidsovereenkomst gedeeltelijk wordt beëindigd. [13] De zaak had betrekking op een werkneemster in het bijzonder onderwijs, die sinds 1980 werkzaam was in de functie van Leraar LC. De omvang van haar dienstbetrekking bedroeg 0,9894 gedeelte van een volledige dienstbetrekking. In 2013 werd de werkneemster ziek. Na twee jaar arbeidsongeschiktheid werd haar een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend, onder vermelding van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 43,83%. De onderwijsinstelling, Kolom, heeft het dienstverband met de werkneemster vervolgens beëindigd door toezending van een ‘akte van ontslag’. Daarnaast heeft Kolom de werkneemster een ‘akte van benoeming’ toegezonden met een benoeming van de werkneemster in dezelfde functie in deeltijd, namelijk voor 0,55%. De werkneemster stelde zich primair op het standpunt dat zij, vanwege de beëindiging van het dienstverband bij akte van ontslag, in aanmerking kwam voor de volledige transitievergoeding van € 76.000,-. Subsidiair verzocht zij om een gedeeltelijke transitievergoeding, berekend over de uren waarmee de omvang van haar dienstverband was verminderd. Zowel de kantonrechter als het hof wezen het verzoek om toekenning van een volledige transitievergoeding af. De kantonrechter was echter van oordeel dat het subsidiaire verzoek om een gedeeltelijke transitievergoeding wel voor toewijzing in aanmerking kwam en veroordeelde Kolom tot betaling van de transitievergoeding berekend over de uren waarmee haar dienstverband was verminderd. [14] Het hof oordeelde daar anders over, omdat volgens het hof geen sprake was geweest van opzegging van de arbeidsovereenkomst nu de werkneemster aansluitend een nieuw dienstverband had gekregen. [15] In cassatie werd de vraag voorgelegd of de werkneemster aanspraak kan maken op de transitievergoeding, hetzij de volledige vergoeding hetzij een partiële transitievergoeding (pro rato).
3.4.2 Voor zover de onderdelen betogen dat, nu de bestaande arbeidsovereenkomst als zodanig is opgezegd, deze door die opzegging tot een einde is gekomen en dat daarom op grond van art. 7:673 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW een transitievergoeding is verschuldigd berekend over het loon dat [verzoekster] laatstelijk op grond van de bestaande arbeidsovereenkomst toekwam, falen zij. Het hof heeft immers geoordeeld dat de bestaande arbeidsovereenkomst in aangepaste vorm is voortgezet. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Kolom-beschikking laat zich als volgt samenvatten.
gedeeltelijketransitievergoeding. [18] Zie de toelichting op de Regeling: [19]
Compensatie kan worden verstrekt als de werkgever een transitievergoeding heeft betaald na opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst of het niet verlengen van een tijdelijke arbeidsovereenkomst, of als de werkgever een vergoeding heeft betaald op grond van een tussen hem en de werknemer gesloten beëindigingsovereenkomst. Ook als een vergoeding is betaald in verband met het gedeeltelijk beëindigen van de arbeidsovereenkomst kan compensatie worden verstrekt.”
Kolom-beschikking is door verschillende auteurs betoogd dat uit de uitspraak voortvloeit dat (a) deeltijdontslag door de Hoge Raad is aanvaard, en (b) ook bij inkomensverlies van tenminste 20% door herplaatsing – al dan niet na langdurige arbeidsongeschiktheid – in een functie met een lager salaris, aanspraak bestaat op een gedeeltelijke transitievergoeding.
Victoria-beschikking geoordeeld dat dat standpunt níet juist is en dat onder het huidige ontslagrecht gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk is. [20] De Hoge Raad overwoog het volgende:
.2.1 Het arbeidsrecht heeft onder meer tot doel werknemers, die doorgaans in relatie tot de werkgever een economisch zwakkere positie innemen, te beschermen tegen willekeur van de werkgever bij mogelijk ontslag, en schept daarbij voor de werkgever een duidelijk kader om, indien dat nodig is, op gereguleerde wijze afscheid te kunnen nemen van een werknemer. Voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kent de wet een gesloten stelsel van regels, waarin de betrokken belangen zijn afgewogen.
Victoria-beschikking de deur voor een gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst opengezet, voor zover dit plaatsvindt op verzoek van de
werknemer. Dat blijkt uit de volgende overwegingen:
Gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst?
gedeeltelijkeontbinding. Als de werkgever daarmee instemt of de rechter van oordeel is dat de werkgever uit een oogpunt van goed werkgeverschap gehouden is om in te stemmen met het verzoek, is sprake van een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst (en blijft de arbeidsovereenkomst in afgeslankte vorm bestaan). In dat geval heeft de werknemer aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding. Hiermee is feitelijk de mogelijkheid van deeltijdontslag gecreëerd, maar
uitsluitendvoor zover dit plaatsvindt
op verzoek van de werknemer.
de Kolom-beschikking volgt dat de werknemer ook bij inkomensverlies (van tenminste 20%) als gevolg van herplaatsing in een functie met een lager salaris, aanspraak heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding, wordt in deze zaak voorgelegd.
Kolom-beschikking hebben Barendsen en Sagel in hun kroniek in het
NJBhet volgende geschreven: [21]
Een tweede vraag: wat is rechtens als een werknemer door een omstandigheid als langdurige arbeidsongeschiktheid gedwongen iets minder gaat werken, laten we zeggen: 10%, maar dat ook in een andere, beduidend lager betaalde, minder belastende functie, waardoor de inkomensachteruitgang niet 10%, maar ook 20% is? Heeft de werknemer in een zodanig geval geen aanspraak op een pro rato transitievergoeding, omdat de arbeidsovereenkomst niet met ten minste 20% in omvang terug is gebracht? Wij durven de verwachting uit te spreken dat de werknemer ook in een geval als dit de aanspraak op een pro rato vergoeding heeft. Ook hier is immers sprake van een wijziging die is (af)gedwongen door omstandigheden die in de risicosfeer van de werkgever vallen, doet de ratio van de transitievergoeding zich voor (opvang van inkomensachteruitgang) en zal de werknemer bovendien, als niet pro rato wordt afgerekend over de vermindering van het loon, in even grote mate aanspraken over verleden verliezen (omdat bij beëindiging van het nieuwe contract wordt afgerekend over het nieuwe, 20% lagere inkomen). In zekere zin heeft de werknemer de transitievergoeding in dit geval nog eens te meer nodig omdat hij maar een halve dag per week overhoudt om de teruggang in salaris van 20% op te vangen. Om in een geval als dit de pro rato vergoeding af te wijzen, spreekt ons eens te meer niet aan omdat het vaak ook maar van toevalligheden – zoals de beschikbaarheid van banen – afhangt of een werknemer die blijvend arbeidsongeschikt is geraakt voor zijn oude fulltime baan, herplaatsbaar is in een rol die 20% minder groot is dan de oude maar hetzelfde salarisniveau heeft, of in een rol die 10% minder groot is, maar met een zodanig lager daaraan verbonden loon dat de inkomensachteruitgang ook 20% bedraagt.”
Kolom-beschikking het volgende geschreven: [22]
Diverse (reeds genoemde) auteurs betogen — naar mijn mening terecht — dat een zelfde aanspraak dient toe te komen aan werknemers die de door de Hoge Raad geformuleerde drempel voor de vermindering van de arbeidsduur niet halen, maar wel een inkomensverlies lijden van meer dan twintig procent omdat zij arbeid gaan verrichten in een andere, minder belastende functie. Dit doet zich regelmatig voor bij re-integratie van langdurig arbeidsongeschikte werknemers in een andere, minder belastende functie, maar kan ook spelen in andere situaties. Denk bijvoorbeeld aan een disfunctionerende werknemer die herplaatst wordt in een functie op een lager niveau met beperktere verantwoordelijkheden. Omdat bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de toekomst voor de berekening van de transitievergoeding wordt uitgegaan van het laatstgenoten loon, is ook in deze gevallen een pro-ratavergoeding gerechtvaardigd.”
Ook is niet duidelijk wat rechtens geldt als een van de door de Hoge Raad genoemde omstandigheden de werkgever noopt de arbeidstijd voor minder dan 20% aan te passen maar het salaris voor meer dan 20%. Naar mijn mening is het dan redelijk dat de werknemer evenzeer kwalificeert voor een transitievergoeding pro rato. Dit omdat de Hoge Raad overweegt dat het toekennen van een pro rato transitievergoeding gerechtvaardigd wordt doordat de werknemer door een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd een deel van de transitievergoeding zou mislopen waarop hij bij een algehele beëindiging van de arbeidsovereenkomst op dat moment aanspraak zou hebben. Die rechtvaardiging geldt ook indien niet de arbeidsomvang maar wel het inkomen structureel en substantieel wordt verminderd.”
Wij gaan daarin nog een stap verder. De Kolom-leer gaat onzes inziens ook op in de situatie waarin louter sprake is van een inkomensachteruitgang van 20% zonder dat daaraan ook een vermindering van arbeidstijd ten grondslag ligt. Denk aan een disfunctionerende werknemer die in het kader van een demotie een lagere functie, met bijbehorend lager salaris, gaat uitoefenen. Ook hier gaat het om een door omstandigheden gedwongen wijziging die gelet op het wettelijk stelsel van artikel 7:673 lid 1 en Pro lid 7 BW niet voor rekening van de werknemer behoort te komen, krijgt de werknemer te maken met een inkomensachteruitgang van 20% en maakt hij in een eventuele toekomstige ontslagsituatie aanspraak op een lagere transitievergoeding.
een inkomensverlies van tenminste 20%.Om die reden wordt gesteld dat de
ratiovan de
Kolom-beschikking met zich meebrengt dat óók in het tweede geval aanspraak zou moeten bestaan op een gedeeltelijke transitievergoeding. Ook in deze situatie zou gelden dat dit inkomensverlies niet voor rekening van de werknemer dient te komen
.
ontslagvan de werknemer. Bij inkomensverlies als gevolg van herplaatsing in een andere functie is echter geen sprake van ontslag. Ontslag betekent immers: beëindiging van een arbeidsovereenkomst. Bij herplaatsing in een andere functie met een lager salaris wordt de arbeidsovereenkomst echter voortgezet.
Kolom-uitspraak is dat ook bij een
gedeeltelijkebeëindiging van de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever, aanspraak bestaat op de transitievergoeding, berekend over het aantal uren waarmee de arbeidsovereenkomst is verminderd. Daarmee is in de
Kolom-beschikking de relatie tussen transitievergoeding en ontslag (in casu:
gedeeltelijkontslag) onverminderd aanwezig. Er zijn geen aanknopingspunten om de
Kolom-beschikking zó te lezen, dat geabstraheerd wordt van de gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarvoor kan ook gewezen worden op rov. 3.2.4 van de
Victoria-beschikking, waarin de Hoge Raad benadrukt dat de vraag die in de
Kolom-beschikking moest worden beantwoord was of,
ervan uitgaande dat de bestaande arbeidsovereenkomst gedeeltelijk is beëindigd, aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding bestaat (zie hiervoor onder 3.8).
beëindigingcruciaal is voor het recht op een gedeeltelijke transitievergoeding, volgt ook uit het wettelijke systeem van de transitievergoeding.
voorwaardevoor het ontstaan van de aanspraak op de transitievergoeding. En voor beëindiging is weer voorwaarde dat er géén herplaatsingsmogelijkheden zijn. Daarmee is niet verenigbaar dat er bij herplaatsing (zonder urenverlies) aanspraak op de transitievergoeding zou ontstaan.
beëindigingvan de arbeidsovereenkomst duidelijk naar voren. Zie bijvoorbeeld de volgende passage in de memorie van toelichting: [26]
4. Transitievergoeding bij ontslag
De regering stelt voorop dat – zoals ook de leden van de verschillende fracties opmerken – de transitievergoeding enerzijds is bedoeld als compensatie voor (de gevolgen van) het ontslag en anderzijds om de werknemer met behulp van de hiermee gemoeide financiële middelen in staat te stellen de transitie naar een andere baan te vergemakkelijken. Dit tweeledige doel geeft de transitievergoeding dan ook een eigen, hybride, karakter. In reactie op de vragen van de D66-fractie is van belang op te merken dat in verband met de introductie van de transitievergoeding en overige wijzigingen in het ontslagrecht het criterium of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen voor het ontslag voor de werknemer en de door de werkgever getroffen voorzieningen deze gevolgen te verzachten, is komen te vervallen.”
In de derde plaats komt het zogenoemde gevolgencriterium zoals we dat thans in het BW kennen (zie hiervoor) te vervallen. In plaats daarvan zal iedere werknemer, anders dan nu het geval is en volgens in de wet gestelde voorwaarden, bij ontslag recht hebben op een transitievergoeding.”
ontslagvergoeding. Immers, de vergoeding kan, maar hoeft niet, te worden gebruikt voor de transitie naar ander werk. [29] En de vergoeding is ook verschuldigd als de werknemer al een andere baan heeft gevonden. [30]
Kolom-beschikking naar mijn mening wél goed past binnen het systeem van de Wwz. In verschillende commentaren die naar aanleiding van
Kolomzijn verschenen, is naar voren gebracht dat de Hoge Raad zich wel heel veel vrijheid heeft gepermitteerd en op de stoel van de wetgever is gaan zitten. [31] Deze kritiek lijkt mij niet terecht. De Hoge Raad heeft namelijk niet méér gedaan dan de uitgangspunten van de Wwz (transitievergoeding bij ontslag) doorgetrokken naar gevallen waarin de wet niet voorzag (gedeeltelijk ontslag). De wet is dus ook van toepassing verklaard op gevallen waarin niet is voorzien, maar die zich in de (UWV-)praktijk toch feitelijk voor blijken te doen. Dat in de Wwz niet is voorzien in een gedeeltelijke transitievergoeding en daaraan ook niet over is gesproken, is het gevolg van de omstandigheid dat de wet de figuur van gedeeltelijk ontslag niet kent. Er is niet gedacht aan de gevallen waarin zich
feitelijk voordoetdat sprake is van een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dat de Hoge Raad voor die gevallen heeft aanvaard dat aanspraak bestaat op een gedeeltelijke transitievergoeding, berust op een uitleg van de wet die volledig past in het systeem van de wet en daarmee strookt met de bedoeling van de wetgever.
een vorm van ontslagis. Het zou dan namelijk gaan om ‘wijzigingsontslag’, dat de Hoge Raad zou hebben geaccepteerd in het
Woonzorg-arrest. [36] Als de stap wordt gezet dat herplaatsing van een langdurige arbeidsongeschikte werknemer in een functie met een lager salaris een vorm van ontslag is, ligt het in de rede dat ook bij een ‘wijzigingsontslag’ aanspraak bestaat op een partiële transitievergoeding, langs de lijnen die in
Kolomzijn uitgezet (schriftelijke opmerkingen onder 35).
Woonzorg-arrest ging over een werknemer van een instelling die woonruimte voor senioren verzorgt. De werknemer was voor 36 uur per week werkzaam als beheerder. Daarnaast verrichtte hij beschikbaarheidsdiensten gedurende 278 uur per maand. Tijdens deze diensten moest hij beschikbaar zijn voor het oplossen van problemen of calamiteiten. Tegenover de beschikbaarheidsdiensten stond een afzonderlijke vergoeding, naast het reguliere salaris. Toen de instelling besloot om de werkzaamheden waarop de beschikbaarheidsdiensten betrekking hadden uit te besteden, kwamen deze voor de werknemer te vervallen. Na enige tijd, waarin de vergoeding werd door betaald, heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst met toestemming van (destijds) het CWI opgezegd, op voorwaarde dat de werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst werd aangeboden voor 36 uur tegen dezelfde arbeidsvoorwaarden (met uitzondering van de vergoeding voor de beschikbaarheidsdiensten). In overeenstemming hiermee bood Woonzorg de werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst voor 36 uur per week aan, wat door hem werd geaccepteerd. Tevens werd de werknemer een vergoeding betaald wegens het verlies van de beschikbaarheidsdiensten. De werknemer stelde zich in cassatie op het standpunt dat sprake was van een kennelijk onredelijk ontslag in de zin van art. 7:681 BW Pro (oud), omdat een ‘wijzigingsontslag’ in strijd is met art. 6 lid 2 Buitengewoon Pro Besluit Arbeidsverhoudingen. Daarnaast stelde de werknemer dat het ontslag kennelijk onredelijk was, omdat Woonzorg de verkregen toestemming tot opzegging van de arbeidsovereenkomst oneigenlijk had gebruikt om langs die weg een wijziging van de arbeidsvoorwaarden te bewerkstelligen.
feitelijkuitgangspunt. Daarmee is geen inhoudelijk oordeel gegeven over de vraag of een ‘wijzigingsontslag’ in zijn algemeenheid een in het ontslagrecht aanvaarde rechtsfiguur is.
Woonzorg-arrest is juist af te leiden dat ‘wijzigingsontslag’ níet als een te onderscheiden rechtsfiguur in het ontslagrecht moet worden beschouwd. Over de vraag of de werkgever met het aanbieden van een nieuwe arbeidsovereenkomst een oneigenlijke weg heeft bewandeld doordat de voor eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst geldende regels werden omzeild en of dit tot kennelijk onredelijkheid van het ontslag leidde, overweegt de Hoge Raad namelijk het volgende:
Taxi Hofman-jurisprudentie). Volgens het
Taxi Hofman-criterium is de werknemer gehouden om in te gaan op een redelijk voorstel van de werkgever tot wijziging van de arbeidsovereenkomst, verband houdende met gewijzigde omstandigheden op het werk. [37] In het arrest
[…] / Mammoetis de
Taxi Hofman-leer nader uitgewerkt, in die zin dat eenzijdige wijziging mogelijk is als aan de zogenoemde ‘dubbele redelijkheidstoets’ is voldaan. [38] Eerst moet worden onderzocht of de werkgever als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Vervolgens moet worden onderzocht of het voorstel van de werkgever redelijk is. In dat kader moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel, alsmede – naast het belang van de werkgever en de door hem gedreven onderneming – de positie van de betrokken werknemer aan wie het voorstel wordt gedaan en diens belang bij het ongewijzigd blijven van de arbeidsvoorwaarden. Tenslotte moet worden beoordeeld of aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden.
Woonzorg-arrest de vraag naar de aanvaardbaarheid van het ‘wijzigingsontslag’ wordt vertaald naar de vraag of voldaan is aan de maatstaf voor eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst, is af te leiden dat ‘wijzigingsontslag’ geen afzonderlijke rechtsfiguur is. De stelling van mr. Sagel dat de Hoge Raad het wijzigingsontslag in zijn algemeenheid heeft aanvaard, lijkt mij dan ook niet juist. Noch in de wet noch in de rechtspraak is een grondslag te vinden voor de figuur van wijzigingsontslag. [39] Ook in de literatuur wordt aangenomen dat wijzigingsontslag niet past in het systeem van het ontslagrecht. [40]
Woonzorg-arrest niet meer uitgesproken over het ‘wijzigingsontslag’.
[…] / Mammoetmoeten worden gevolgd. Bij de beoordeling van de derde stap, of van de werknemer in redelijkheid kan worden gevergd om het voorstel van de werkgever te aanvaarden, kan worden meegewogen of de werkgever bij de voorgestelde aanpassing financiële compensatie heeft aangeboden. Een dergelijke financiële compensatie kan bestaan uit een afbouwregeling. [41] In de feitenrechtspraak zijn verschillende voorbeelden van uitspraken waarin in het kader van de beoordeling of een wijziging van arbeidsvoorwaarden aanvaardbaar was, mede in aanmerking werd genomen dat de werkgever een afbouwregeling aanbood ter compensatie van de voor de werknemer nadelige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. [42]
Victoria-beschikking (zie onder 3.7-3.9) leid ik eveneens af dat wijzigingsontslag niet een afzonderlijk te identificeren rechtsfiguur is.
Pujante Riveraen
Ciupa e.a.Ook in de arbeidsrechtelijke literatuur is door enkele auteurs deze rechtspraak in verband gebracht met de vraag die in deze zaak aan de orde is. [43]
Commissie/Portugalis overwogen dat het begrip ‘ontslag’ voor de toepassing van de Richtlijn eenvormig moet worden uitgelegd (punt 44). [47] Het begrip kan dus niet kan worden gedefinieerd door een verwijzing naar de wetgeving van de lidstaten, maar heeft een communautaire strekking (punt 49-51). Vervolgens definieert het HvJ het begrip ‘ontslag’ aldus, dat het elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst omvat die de werknemer niet heeft gewild en waarmee hij dus niet heeft ingestemd (punt 49)
.Dit betekende dat het in Portugal gebruikte ontslagbegrip, dat alleen betrekking had op gevallen waarin ontslag voortvloeide uit de vrije wil van de werkgever (waardoor bijvoorbeeld ontslag als gevolg van faillissement er buiten viel), te beperkt was (punten 61-62).
Pujante Riverahad de werkgever in de referteperiode een groot aantal werknemers ontslagen. Eén daarvan was Pujante Rivera. Hij had echter ingestemd met het ontslag, nadat de werkgever kort daarvoor eenzijdig het salaris met 25% had verlaagd. Het HvJ overwoog dat het feit dat een werkgever eenzijdig en ten nadele van de werknemer overgaat tot een substantiële wijziging van essentiële elementen van de arbeidsovereenkomst om redenen die geen betrekking hebben op de persoon van deze werknemer, ook onder het begrip ‘ontslag’ in de zin van de Richtlijn (punt 55) vallen. Hierdoor viel de betrokken werknemer ook onder het bereik van de Richtlijn.
Ciupa e.a.heeft het hof deze overweging herhaald. [48] In deze zaak ging het over Poolse werknemers in dienst van een ziekenhuis. Vanwege toenemende verliezen wilde het ziekenhuis het loonpeil van het gehele personeelsbestand verlagen. Aan de werknemers werd een (tijdelijke) loonsverlaging van 15% voorgesteld. Ongeveer 20% van de werknemers aanvaardde het voorstel. Aan de andere werknemers werd een ‘wijziging onder voorbehoud’ betekend. Een wijziging onder voorbehoud houdt volgens het Poolse arbeidsrecht een opzegging onder voorbehoud in. Indien de werknemer het gewijzigde aanbod niet binnen een bepaalde termijn aanvaardt, is sprake van ontslag. Als de werknemer het aanbod wel accepteert, wordt het contract geacht te zijn gewijzigd. Het HvJ herhaalde de regel uit
Pujante Rivera, dat een eenzijdige, substantiële wijziging van wezenlijke elementen van de arbeidsovereenkomst om redenen die geen betrekking hebben op de persoon van deze werknemer, ontslag in de zin van de Richtlijn is. Verder overwoog het HvJ dat het feit dat een werkgever eenzijdig en ten nadele van de werknemer overgaat tot een
niet-substantiëlewijziging van een wezenlijk element van de arbeidsovereenkomst om redenen die geen betrekking hebben op de persoon van die werknemer, of om dergelijke redenen overgaat tot een substantiële wijziging van een niet-wezenlijk element van die arbeidsovereenkomst, niet worden aangemerkt als een ‘ontslag’ in de zin van de Richtlijn 98/59. Het is aan de verwijzende rechter om in het licht van alle omstandigheden van het geval vast te stellen of de in het geding zijnde tijdelijke loonsvermindering dient te worden aangemerkt als een substantiële wijziging (punten 29-30).
de persoonvan de werknemer, kunnen aan die uitspraken geen gevolgtrekkingen worden verbonden ten aanzien van de vraag of herplaatsing van een
individuelewerknemer in een andere functie – zoals in de onderhavige zaak aan de orde is – als een vorm van ontslag zou moeten worden aangemerkt. Daarbij komt nog, zoals Gundt uiteenzet in een uitvoerig artikel over onder meer het arrest
Ciupa e.a., dat toepassing van die uitspraak niet past in het Nederlandse recht omdat, kort gezegd, ‘impliciet ontslag’ hier niet mogelijk is.
Kolom-beschikking zijn geformuleerd.
Kolom-beschikking volgt dat níet geabstraheerd kan worden van het feit dat de betrokken werkneemster (na ontslag uit haar volledige dienstverband) voor een deel van de uren is herplaatst in een andere functie. Als dat het geval zou zijn geweest, was de logische consequentie geweest dat er aanspraak bestond op de volledige transitievergoeding (het primaire verzoek van werkneemster). Het oorspronkelijke dienstverband van de werkneemster was immers geheel beëindigd. Uit rov. 3.4.2 van de
Kolom-beschikking volgt echter dat de Hoge Raad die gedachtegang niet volgt en met het hof van oordeel is dat géén sprake is van algehele beëindiging van de arbeidsovereenkomst, nu deze in aangepaste vorm (namelijk: voor minder uren) is voortgezet. Dat betekent dat ook in deze zaak niet relevant is dat Werkneemster op grond van de CAO-PO eerst ontslagen is uit haar dienstverband. Het gaat erom wat de situatie ná herplaatsing is.
ontslagvergoeding (zie onder 3.17-3.32). Daarmee past een dergelijk recht niet in het systeem van de wet. Herplaatsing in een andere functie (zonder urenverlies) kan ook niet worden aangemerkt als ‘een vorm van beëindiging’ van de arbeidsovereenkomst.
Kolom-beschikking), kan het voorgaande niet anders maken.
A fortioriis ook niet van belang dat een werknemer die inkomensverlies lijdt door herplaatsing in een andere functie met een lager salaris, misschien wel meer behoefte heeft aan financiële compensatie als iemand die inkomensverlies lijdt door urenverlies (namelijk, omdat de eerstbedoelde geen tijd heeft om het inkomensverlies op te vangen, zie schriftelijke opmerkingen mr. Sagel onder 25).
Kolom-beschikking), kan naar mijn mening geen gewicht in de schaal leggen (schriftelijke opmerkingen mr. Sagel onder 26). Dat is inderdaad het geval, maar het probleem zit er hier eigenlijk vooral in dat de transitievergoeding wordt berekend over het laatstverdiende salaris (en niet, zoals ook denkbaar zou zijn geweest, [51] over het gemiddelde salaris over een bepaalde periode). Een dergelijke berekeningswijze strookt echter niet met de in de wet opgenomen systematiek (art. 7:673 BW Pro).
Dient met een vermindering van de arbeidsduur gelijkgesteld te worden een vermindering van het salaris als gevolg van een functiewijziging, met dien verstande dat in dat geval ook récht op een transitievergoeding bestaat naar evenredigheid van de salarisvermindering?
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: gelden voor een dergelijke functiewijziging dezelfde eisen als genoemd in r.o. 3.5.5 van de Kolom- beschikking?
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: geldt dan ook dat het moet gaan om een substantiële en structurele salarisvermindering in dier voege dat het moet gaan om een vermindering van tenminste twintig procent die naar redelijke verwachting, blijvend zal zijn?
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: indien sprake is van zowel een vermindering van arbeidsduur als van salaris, hoe moet in dat geval dan de transitievergoeding worden berekend?
Kolom-beschikking), maar
in combinatiemet herplaatsing in een functie met minder salaris de grens van twintig procent inkomensverlies wel wordt gehaald (zie schriftelijke opmerkingen mr. Sagel onder 70; vgl. hierboven onder punt 3.11-3.16).