Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
3.Het tweede middel
de kring van (rechts)personenaan wie schadevergoeding kan worden toegewezen in het kader van het strafproces. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat van rechtstreekse schade sprake is als de betrokkene is getroffen in het belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. Hiermee lijkt aansluiting te zijn gezocht bij het relativiteitsvereiste in art. 6:163 BW Pro, dat inhoudt dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat indien de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. [3] De MvT bij het wetsvoorstel Terwee vermeldt daarover het volgende, waarbij in het achterhoofd moet worden gehouden dat de huidige tekst van art. 51f Sv oorspronkelijk was opgenomen in art. 51a Sv:
de schadedie kan worden gevorderd: een vordering van een benadeelde partij is slechts ontvankelijk indien aan haar rechtstreekse schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Hierbij gaat het om het causale verband. Met de term ‘rechtstreeks toegebracht’ is niet bedoeld af te wijken van de gebruikte maatstaf in het burgerlijk recht voor het bepalen van het oorzakelijk verband tussen de bewezen verklaarde gedraging en de schade. [8] Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de voorwaarde van ‘voldoende verband’ tussen het bewezenverklaarde feit en de gevorderde schade niet al te strikt wordt uitgelegd en dat het er vooral om gaat dat de toerekening redelijk kan worden geacht. [9] Van belang is dat de schade in voldoende verband staat met het bewezenverklaarde handelen. Als voorbeeld kan een arrest [10] worden genoemd waarin de vraag aan de orde was of schade aan de fiets van het slachtoffer, ontstaan in samenhang met een mishandeling, terwijl alleen de mishandeling ten laste was gelegd, als rechtstreekse schade kon worden beschouwd, die door het slachtoffer was geleden. Mijn ambtgenoot Bleichrodt wijst in zijn conclusie bij dit arrest erop dat de grondslagleer weliswaar met zich meebrengt dat er een zekere versmalling optreedt van het feitencomplex omdat de tenlastelegging wordt afgestemd op de omschrijving van het strafbare feit in de delictsomschrijving, maar dat in het burgerlijk recht deze beperkende structuur niet als zodanig geldt. In gevolge art. 6:98 BW Pro gaat het erom of ‘de gebeurtenis’ voldoende grondslag biedt voor aansprakelijkheid. Daarom komt Bleichrodt tot de conclusie dat ook de schade aan de fiets als rechtstreekse schade van de mishandeling kon worden aangemerkt. De Hoge Raad volgt hem daarin.
behoudens in het kader van de beperking van de kring van voegingsgerechtigden(onderstreping AG TS).” [13]
wieals slachtoffer kunnen worden aangemerkt. Zij merken op dat art. 51f Sv in de eerste plaats dan ook de functie heeft van “toetsing aan de poort”. Pas wanneer de benadeelde ‘binnen’ is in de voegingsprocedure kan diens vordering alsnog stuiten op de ontvankelijkheidsgronden van art. 361 Sv Pro, waaronder de voorwaarde dat de benadeelde rechtstreekse schade heeft ondervonden van het strafbare feit. [15]