Uitspraak
1.Geding in cassatie
13/050401-02 onder 2 ten laste gelegde feit;
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Beslissing
23 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit 2004, waarin de verdachte werd veroordeeld voor meervoudige diefstal en vernieling. De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden doordat het Openbaar Ministerie niet tijdig en voortvarend de verstekmededeling heeft betekend. Hierdoor wordt de opgelegde gevangenisstraf verminderd van zes naar drie weken.
Daarnaast stelt de Hoge Raad vast dat het tenlastegelegde feit van vernieling, gepleegd op of omstreeks 28 februari 2002, is verjaard op grond van de wettelijke verjaringstermijn van maximaal twaalf jaar (twee maal zes jaar). Dit leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging voor dat feit en tot vernietiging van het arrest voor zover het vernieling betreft.
Het arrest bevat tevens een uitgebreide motivering over de toepassing van art. 366 Sv Pro en de voorwaarden waaronder een verstekmededeling rechtsgeldig wordt geacht. De Hoge Raad bevestigt dat het OM ten minste eenmaal per jaar moet trachten de verstekmededeling alsnog te betekenen indien de verdachte niet in de basisregistratie personen staat ingeschreven.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor het deel vernieling en de strafduur, verklaart de vervolging niet-ontvankelijk voor vernieling, vermindert de straf tot drie weken en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de gevangenisstraf tot drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn en verklaart de vervolging voor vernieling niet-ontvankelijk wegens verjaring.