ECLI:NL:PHR:2020:29
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Berekening kleinschaligheidsinvesteringsaftrek voor vennoten in samenwerkingsverband
Belanghebbende, samen met haar echtgenoot vennoot in een vof, betwistte de berekening van de KIA over hun gezamenlijke investering van € 83.476 in 2016. De Rechtbank stelde dat de totale KIA op basis van art. 3.41 Wet IB 2001 € 15.687 bedroeg, waarvan € 2.347 werd doorgeschoven naar 2017, resulterend in een resterende KIA van € 13.340 die volgens de winstverdeling van 50/50 werd verdeeld, waardoor belanghebbende recht had op € 6.670.
Belanghebbende voerde in cassatie aan dat de KIA niet verdeeld mocht worden en dat zij recht had op een hoger bedrag van € 14.514. De Advocaat-Generaal concludeerde echter dat de berekeningsmethode van de Rechtbank in lijn is met de bedoeling van de wetgever en dat de voorgestelde methode van belanghebbende tot ongerijmde resultaten zou leiden. Ook het beroep op een arrest van de Hoge Raad uit 2019 over buitenvennootschappelijke investeringen faalde omdat die situatie niet van toepassing was.
De Hoge Raad bevestigde dat bij samenwerkingsverbanden de investeringen worden samengevoegd voor de KIA-berekening en dat het aftrekbedrag vervolgens naar rato van het winstaandeel wordt verdeeld. De doorschuifregel van art. 3.44 Wet IB 2001 werd eveneens correct toegepast. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de berekeningsmethode van de KIA conform de Rechtbank bevestigd.