Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
“deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2.
“medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”en 3.
“witwassen, meermalen gepleegd”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
eerste middelbehelst de klacht dat het onder 2 bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Bovendien heeft het hof volgens de steller van het middel onvoldoende de redenen vermeld voor afwijking van een aantal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
en voegt geen nadere aantekeningen o.i.d. bij. Wijkagent [verbalisant] heeft ook meegewerkt bij het leeghalen van de woning (zie PV 1766) en de kans is groot dat hij toen met buurtbewoners heeft gesproken en zo is beïnvloed. Het is erg sterk, ongeloofwaardig en niet nader onderbouwd, dat een agent op 24-1-2011[idem, DA]
nog precies weet dat buurtbewoners hem in mei t/m juni 2010 hebben benaderd, maar verdere details ontbreken. Dit staat nog los van het feit dat, als buurtbewoners zouden melden dat ze hennep ruiken, dit nog niet zo hoeft te zijn.
nadere aantekeningen” of “
details” hadden moeten zien en waarom moet worden aangenomen dat de verbalisant tijdens de ontmanteling van de kwekerij kan zijn beïnvloed. [8] Het hof hoefde hierop gezien de (geringe) inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten niet uitgebreider in te gaan. [9] Daarbij merk ik op dat – vanwege zijn hoedanigheid van wijkagent – [verbalisant] bij uitstek tot taak heeft om zijn oor bij buurtbewoners te luister te leggen. Dat het hof het verweer in algemene bewoordingen heeft weerlegd door op te merken dat het “
geen reden[heeft]
om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen”, is daarmee niet onbegrijpelijk.
te algemenemotivering van het medeplegen.
“aannemelijke, geloofwaardige en verifieerbare verklaring van de verdachte ten aanzien van zijn connecties met de kwekerijen”. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de panden huurde, dat de verdachte en onder andere zijn broers bij (en in) de panden zijn gesignaleerd. De peilbakengegevens tonen de frequente aanwezigheid van de verschillende auto’s bij de kwekerijen aan. Hoewel daaruit inderdaad niet kan worden opgemaakt wie in de auto’s hebben gereden, geeft deze vaststelling wel zicht op de welbewuste wijze van samenwerken.
tweede middelklaagt in de kern dat de onder 1 bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid en dat het aangevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt (inhoudende dat er méér moet worden vastgesteld dan voor medeplegen nodig is) onvoldoende gemotiveerd is weerlegd.
“[v]erdachten in wisselende samenstelling verantwoordelijk waren voor de exploitatie van hennepkwekerijen”en
“dat is gebleken dat verdachte en de medeverdachten in verschillende samenstellingen bij de verschillende hennepkwekerijen in beeld zijn”. Kenmerkend voor de (duurzaamheid van de) organisatie is dus, zoals het hof verderop opmerkt, dat
“[deze personen] gedurende langere tijd structureel ieder een eigen rol dan wel taak binnen de hennepkwekerijen [vervulden]”.
derde middelklaagt dat het hof heeft verzuimd de redenen op te geven die tot de keuze van de strafsoort hebben geleid en dat met de strafoplegging bovendien zonder nadere motivering is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf” op zijn plaats is, volgt op een opsomming van verschillende omstandigheden die het hof kennelijk aan de keuze voor deze straf(soort) ten grondslag heeft gelegd. Naast een algemene strafoverweging wijst het hof op de meer specifieke redenen die tot de oplegging van deze straf hebben geleid. Daarbij worden onder meer betrokken de lange periode waarin en de grote schaal waarop de feiten werden gepleegd, het georganiseerde karakter ervan, de gezondheidseffecten van productie van en handel in softdrugs en de bedreiging die van een dergelijke handel uitgaat richting de legale economie. Met deze onderbouwing maakt het hof de keuze voor de strafsoort inzichtelijk, zodat het niet is gehouden expliciet op de door de verdediging voorgestelde straf in te gaan.