Conclusie
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
subonderdeel 1.2wordt – zakelijk weergegeven – geklaagd dat het hof dus met voormelde onjuiste berekening verder aan het rekenen is geslagen, zodat het oordeel vanuit dit oogpunt strijdig is met het bepaalde in art. 149 Rv Pro, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Hoewel, aldus het subonderdeel, aan de motivering van alimentatiebeslissingen blijkens de rechtspraak geen hoge eisen worden gesteld, moeten deze wel voldoende inzicht geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze beslissing zowel voor partijen als voor derden (waaronder de hogere rechter) controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Daarvan is hier geen sprake. Er wordt in deze zaak volstrekt onvoldoende gemotiveerd waarom de vrouw nog immer behoefte zou hebben aan de door de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 21 mei 2013 vastgestelde (naar 2015 geïndexeerde) bijdrage van € 1.525,61 per maand, terwijl haar aanvullende behoefte (de kennelijke schrijffout van het hof weggedacht) in de berekening van het hof uitkomt op een bedrag van € 871,70, waardoor het oordeel niet begrijpelijk is.
subonderdeel 2.1wordt in dat verband allereerst gesteld dat niet alleen de verwervingskosten van belang waren en zijn. Het subonderdeel klaagt vervolgens, samengevat, dat het hof ten onrechte essentiële stellingen van de man die er toe leiden dat, op basis van de financiële bescheiden van 2009, het nettogezinsinkomen op een lager bedrag had moeten worden gesteld [21] , inhoudelijk onbesproken heeft gelaten, althans onvoldoende gemotiveerd heeft gepasseerd, waardoor de uitspraak op dit punt onvoldoende met redenen is omkleed. Het betreffen de volgende stellingen:
subonderdeel 2.2wordt geklaagd dat het hof bovendien geenszins heeft onderbouwd waarom het van oordeel is dat het bedrag van € 5.668,- per maand als nettogezinsinkomen als uitgangspunt dient te worden gehanteerd, waarmee het oordeel evenzeer onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is.
onderdeel 3 [28] heeft het slagen van één of meer van de bovengenoemde klachten ook effect voor de rov. 5.6 tot en met 7 (rov. 7 betreft het dictum).
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Van meet af aan niet voldaan aan de wettelijke maatstaven
Partneralimentatie