Conclusie
Draagkracht man
2.Bespreking van het cassatieberoep
subonderdeel 1a (tweede alinea) van het principaal cassatieberoepbetoogt de vrouw dat bij post 83 een verkeerd bedrag aan rentelasten eigen woning staat. De als prod. 21 overgelegde draagkrachtberekening, die het hof in rov. 5.12 tot uitgangspunt neemt, vermeldt als rentelasten eigen woning van de man € 24.411 per jaar. Volgens het hof moeten deze rentelasten bij de berekening van de draagkracht van de man voor de helft in mindering worden gebracht. Het hof had bij post 83 als rentelasten eigen woning dus een bedrag moeten vermelden van afgerond € 12.206 (50% van € 24.411) in plaats van het daar genoemde bedrag van € 12.968. Volgens het subonderdeel heeft dit ook gevolgen voor de berekening in post 83 (tweede regel) van de “aftrekpost in verband met eigen woning” (dit moet € - 9.647 zijn in plaats van € - 10.409) en de berekening in post 83 (derde regel) “welk deel van de aftrekpost wordt toegerekend aan de partner” (dit moet zijn € 4.824 in plaats van € 5.204).
hypotheekrente (niet aftrekbaar)” die € 1.017 in plaats van € 1.080 moet zijn.
gemiddeld€ 586 per maand aan aflossing moet voldoen. Het hof mocht in mijn optiek dan ook van een gemiddelde hypotheekaflossing van € 586 (blijven) uitgaan.
“andere bijzondere kosten”als onderdeel van de lasten ten behoeve van de partneralimentatie). Dit heeft het hof niet met zoveel woorden toegeschreven aan de kosten van de stiefkinderen, maar strookt met het bedrag dat bij post 129 is vermeld in de draagkrachtberekeningen die zijn bijgevoegd bij de brief van de advocaat van de vrouw van 11 februari 2020 en de brief van de advocaat van de man van 27 februari 2020. Bij de bepaling van het bedrag van € 300 per maand voor drie stiefkinderen volgde het hof kennelijk het subsidiaire verweer van de vrouw dat de man niet meer dan € 100 per kind per maand aan kosten draagt. Het totaalbedrag van € 300 behoefde geen nadere motivering en is in cassatie ook niet bestreden [21] .
tweede onderdeel van het principaal cassatieberoepis gericht tegen de herstelbeslissing ex art. 31 Rv Pro. Volgens het onderdeel heeft het hof bij de beoordeling op de voet van art. 31 Rv Pro ten onrechte geen doorslaggevende betekenis toegekend aan de erkenning door de advocate van de man in een e-mail aan het hof van 27 februari 2020 dat in de draagkrachtberekening van het hof bij het toerekenen van de helft van de woonlasten aan de nieuwe partner van de man “zowel bij post 83 als ook in post 123” onjuiste bedragen in de draagkrachtberekening zijn opgenomen, en dat het standpunt van de vrouw in zoverre door de man werd gevolgd (c.q. gedeeld).
vierde onderdeel van het incidenteel cassatieberoepis gericht tegen de ingangsdatum van de wijziging van de partneralimentatie. Het onderdeel voert in dat kader het volgende aan. Het hof heeft de wijziging zonder motivering laten ingaan vanaf de datum van de eindbeschikking. In het petitum van het beroepschrift had de man verzocht om wijziging per 1 mei 2018. Bij de mondelinge behandeling in appel heeft de man erop gewezen dat de vrouw beschikt over een financiële buffer van € 30.000 [29] . De advocaat van de vrouw heeft daarop gesteld: “Daarnaast werd er gerefereerd aan een financiële buffer in verband met een eventuele terugbetaling van mevrouw. Die staat vast, kan zij niet aankomen.” Gelet op dit partijdebat had het hof volgens het onderdeel moeten ingaan op de stelling van de man over de financiële ruimte van de vrouw en zijn verzoek om wijziging van de alimentatie per 1 mei 2018. Dit zou temeer gelden daar het hof de kinderalimentatie – conform de afspraak tussen partijen – wel met terugwerkende kracht per 1 mei 2018 heeft vastgesteld.