Conclusie
Aegean. Verweerders in cassatie worden hierna gezamenlijk aangeduid als
de passagiers. Verweerders onder 1 t/m 6 worden hierna ook aangeduid als
[verweerders onder 1 t/m 6], verweerders onder 7 t/m 11 als
[verweerders onder 7 t/m 11]en verweerders onder 12 t/m 17 als
[verweerders onder 12 t/m 17]
1.Inleiding
de kantonrechter). Aanleíding voor het geschil is dat de door de passagiers geboekte vlucht naar Corfu (Griekenland) is geannuleerd of vertraagd. De kantonrechter heeft Aegean veroordeeld om op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna:
de Verordening) [1] aan de passagiers de door hen aan een tussenpersoon betaalde ticketprijs te restitueren en/of compensatie te betalen.
het Hof). In deze zaak is tegen de passagiersverstek verleend.
19/02472(
Aegean/ [… 1]) hangt nauw samen met de onderhavige zaak. De feiten zijn grotendeels identiek. Ook in die zaak heeft Aegean één cassatieberoep ingesteld tegen drie nagenoeg identieke vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland. Die vonnissen zijn materieel gelijkluidend aan de drie vonnissen in de onderhavige zaak en zijn ook van dezelfde datum. Verweerders in die zaak zijn wel verschenen.
19/03488(
Ryanair/ [… 2]). De feiten liggen in die zaak iets anders: de reden waarom de vlucht in kwestie was geannuleerd was een door de vakbonden aangekondigde staking was. Ook in die zaak wordt het betoog gevoerd dat schending van het Unierecht als cassatiegrond dient te worden toegevoegd aan de gronden van art. 80 lid 1 RO Pro.
Aegean/ [… 1]Het gaat om zaak
20/01146(
Aegean/ [… 3]), zaak
20/01147(
Aegean/ [… 4]), zaak
20/01171(
Aegean/ [… 5]). en zaak
20/01173(
Aegean/ [… 6]).
20/00085(
Qatar Airways/ [… 7]).Qatar Airways, vertegenwoordigd door dezelfde cassatieadvocaat als Aegean en Ryanair, richt klachten tegen een arrest van 8 oktober 2019 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij een hoger beroep tegen een uitspraak van de kantonrechter niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat het gevorderde bedrag per passagier onder de appelgrens ligt. In cassatie betoogt Qatar Airways onder meer dat, waar één claimvehikel een groep passagiers vertegenwoordigt in een procedure waarin zij zelf partij zijn, voor het toepassen van de appelgrens de waarde van de individuele vorderingen bij elkaar moet worden opgeteld.
2.Feiten
G.S. Charter), gevestigd in Cyprus, bestond een charterovereenkomst, op grond waarvan Aegean aan G.S. Charter – tegen betaling van een chartersom – een bepaalde capaciteit aan vliegtuigstoelen ter beschikking heeft gesteld. G.S. Charter verkocht die capaciteit door aan derden, waaronder de reisorganisatie [A] B.V. (hierna:
[A]) te [vestigingsplaats] .
3.TERMS OF PAYMENT
3.Procesverloop
4.Ontvankelijkheid
Inleiding
eerste onderdeelkomt met diverse rechtsklachten op tegen de bestreden vonnissen. Het middel onderkent dat op grond van art. 80 lid 1 RO Pro – naar de letterlijke wettekst en volgens bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad – in beginsel niet met rechtsklachten tegen deze vonnissen kan worden opgekomen. [6] Het middel strekt er evenwel toe om de in art. 80 lid 1 RO Pro vermelde cassatiegronden (verder) uit te breiden, althans buiten toepassing te verklaren (op grond van art. 93 en Pro 94 van de Grondwet), zodat tegen een vonnis van de kantonrechter waartegen op de voet van art. 332 lid 1 Rv Pro geen hoger beroep openstaat, in cassatie rechtsklachten kunnen worden gericht. Daarbij zou het (alleen) hoeven te gaan om rechtsklachten die inhouden dat:
binnen de huidige grenzenvan art. 80 RO Pro. Aegean betoogt dat die grenzen moeten worden uitgebreid of weggedacht.
versoepelde toetsing van verkapte rechtsklachten”. [10] Voor zover dit betoog de klacht inhoudt dat de in art. 80 lid Pro 1, onder a, RO vermelde cassatiegrond moet worden uitgebreid in die zin dat de Hoge Raad in zaken als de onderhavige ook motiveringsklachten kan beoordelen die een verkapte rechtsklacht inhouden, komt ook deze klacht te laat.
Qatar Airways) onder meer daar over. In die zaak wordt in de procesinleiding overigens opgemerkt dat appel moet open staan omdat “
bij een cassatieberoep op de voet van art. 80 RO Pro vanwege de daarin vermelde limitatieve gronden niet in cassatie kan worden geklaagd over de onjuiste uitleg en toepassing van Unierecht door de kantonrechter.” [12] Eiseres in die zaak lijkt de beperkte gronden van art. 80 lid 1 RO Pro als een gegeven te beschouwen en zet in op versoepeling van de appelgrens.
Jan Luijken-arrest uit 1971. In dat arrest overwoog de Hoge Raad: [21]
vereistdat zaken waarin de uitleg van Unierecht aan de orde is, in twee rechterlijke instanties moeten kunnen worden beoordeeld. Dat is terecht, want het Unierecht stelt die eis niet. Eén rechterlijke instantie volstaat, mits deze instantie bevoegd is aan het Hof prejudiciële vragen te stellen zodat de uniformiteit van het Unierecht door het Hof in het kader van een prejudiciële procedure kan worden verzekerd. [33] Art. 47 eerste Pro alinea van het EU Handvest van de grondrechten, dat net als art. 13 EVRM Pro betrekking heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, heeft daar geen verandering in gebracht.
EU-rechtelijke druk op kantonzaken”. Krans heeft namelijk in 2004 – en in 2010 – verdedigd om de mogelijkheid van appel of cassatie tegen kantonrechtervonnissen te verruimen in zaken waarin EU-recht aan de orde kan zijn. [35]
status apartete geven, zoals Aegean bepleit. Het doeltreffendheidsbeginsel noopt daar ook niet toe.
Aquino: [36]
[… 8] /DASuit 2014. [39] Partijen hebben het echter niet in de hand of een van deze twee instrumenten wordt ingezet, dat is waar.
Smallstepsover de
pre-pack. [40] De Verordening is voor veel kantonrechters inmiddels
gefundenes Fressengelet op het grote aantal zaken. Wat daarbij helpt is dat in dit soort claims specialisten optreden die de kantonrechter op de laatste Europese rechtspraak kunnen wijzen. [41] Rijst er toch een nieuwe vraag dan ziet men dat kantonrechters niet aarzelen prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van de Verordening. Voorbeelden zijn de zaken
Van der Ven/KLM, [42] Van der Lans/KLM, [43] Krijgsman/
SLM, [44] en
Aegean Airlines. [45] De laatste zaak is overigens een verwijzing door de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland die ook de in cassatie bestreden vonnissen heeft gewezen. Die zaak ging, anders dan de onderhavige zaak, over de verhouding tussen de Verordening en de Richtlijn pakketreizen.
vooral vanwege de (ook in het cassatiemiddel onderkende) beperkingen op grond van art. 80 RO Pro”. Volgens A-G Vlas betrof het verzoek om aanhouding geen motiveringsgebrek in het bestreden kantonrechtersvonnis en al evenmin een schending van een fundamentele regel van procesrecht. [47]
deze bijzondere omstandigheden” zag de Hoge Raad aanleiding zijn uitspraak aan te houden totdat het Hof uitspraak had gedaan.
Martinairen
Transavia), waarin het draaide om de vraag of een groep passagiers op grond van de Verordening recht had op compensatie wegens vertraging van hun vlucht. [48] Ook in die zaken had de kantonrechter de vordering van de passagiers toegewezen. In de daaropvolgende cassatieprocedure klaagden de luchtvaartmaatschappijen onder meer dat de kantonrechter een fundamenteel rechtsbeginsel had geschonden door, ondanks het bestaan van redelijke twijfel omtrent de uitleg van Unierecht, noch prejudiciële vragen aan het Hof te stellen, noch de procedure aan te houden in afwachting van een vijftal bij het Hof reeds aanhangige prejudiciële procedures over vergelijkbare vragen. Anders dan hier, haakte het middel in die zaken aan bij de (beperkte) uitbreiding van de cassatiegronden als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 16 maart 2007 (zie hiervoor, 4.14).
bijzondere omstandigheden’, te weten het feit dat op korte termijn uitspraak van het Hof werd verwacht. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in de onderhavige procedure gesteld noch gebleken. Ook de arresten van 3 mei 2013 bevatten m.i. geen aanknopingspunt voor de door Aegean verdedigde opvatting dat de cassatiegronden van art. 80 lid 1 RO Pro moeten worden uitgebreid tot schending van het Unierecht. Daarbij wijs ik er nogmaals op dat de door Aegean bepleite uitbreiding niet kan worden gestoeld op de uitbreiding die de Hoge Raad heeft toegestaan in zijn arrest van 16 maart 2007 (zie hiervoor, 4.14).
5.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1
het waarborgen van een evenwicht tussen de belangen van passagiers en die van luchtvaartmaatschappijen’. Dit brengt mee dat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert niet in alle gevallen als enige de financiële lasten moet dragen. De kantonrechter is er ten onrechte van uitgegaan dat de luchtvaartmaatschappij verhaal kan zoeken op de reisorganisatie en/of haar contractuele wederpartij, aldus het subonderdeel.
Sturgeonvolgt dat de Europese wetgever met de Verordening de belangen van de luchtreizigers met die van de luchtvaartmaatschappijen heeft willen verzoenen. [51] Later heeft het Hof dit, onder verwijzing naar het
Sturgeonarrest, aldus verwoord dat de Verordening niet alleen een hoog niveau van bescherming van de passagiers, maar ook een evenwicht tussen de belangen van deze passagiers en die van de luchtvaartmaatschappijen beoogt te waarborgen. [52] Daarbij is volgens het arrest
Sturgeonvan belang dat de Verordening in art. 5 lid 3 bepaalt Pro dat de luchtvaartmaatschappijen niet in alle gevallen bij annulering compensatie hoeven te betalen. Tevens is in die zaak benadrukt dat uit art. 13 van Pro de Verordening volgt dat de nakoming van de verplichtingen de mogelijkheid van de vervoerders onverlet laat om van eenieder die vertraging of annulering heeft veroorzaakt terugbetaling te vorderen. Deze terugbetaling kan de financiële lasten die de vervoerders dragen dus geheel of gedeeltelijk compenseren. Het is niet onredelijk dat deze lasten in de eerste plaats worden gedragen door luchtvaartmaatschappijen, waaraan de betrokken passagiers zijn gebonden door een vervoerscontract dat hun recht geeft op een vlucht die niet geannuleerd of vertraagd zou mogen zijn. [53]
Aegean Airlines), als gezegd een verwijzing van de kantonrechter die ook de bestreden vonnissen heeft gewezen, was een vraag aan de orde omtrent de verhouding tussen Richtlijn 90/314 inzake pakketreizen, [54] die verplichtingen oplegt aan de reisorganisator, en de Verordening, die verplichtingen oplegt aan de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert. Richtlijn 90/314 bepaalt dat een organisator van een reis kan worden aangesproken tot terugbetaling van de reis indien een pakketreis wordt geannuleerd. De Verordening regelt de samenloop tussen beide instrumenten. Art. 8 lid 1 onder Pro a bepaalt dat de luchtvaartmaatschappij in geval van annulering van een vlucht de betrokken passagiers terugbetaling van hun ticket dient aan te bieden en in art. 8 lid 2 dat Pro dit ook van toepassing is op passagiers wier vlucht onderdeel is van een pakket, behalve wanneer een dergelijk recht bestaat krachtens Richtlijn 90/314. Die laatste situatie deed zich in die zaak voor. Het HvJEU heeft in zijn arrest in die zaak geoordeeld dat uit de duidelijke bewoordingen van art. 8 lid 1 en Pro lid 2 van de Verordening volgt dat indien een passagier wiens vlucht deel uitmaakt van een pakketreis op grond van Richtlijn 90/314 recht heeft op terugbetaling, hij geen recht heeft op terugbetaling door de luchtvaartmaatschappij op grond van de Verordening. Dit geldt ook als de reisorganisator financieel niet in staat is om het ticket terug te betalen en geen maatregelen heeft genomen om die terugbetaling te waarborgen. [55]
nietgaat over pakketreizen, tegen welke vaststelling geen klacht is gericht in cassatie. De rechtspraak van het Hof over de verhouding tussen Richtlijn 90/314 en de Verordening is derhalve, in tegenstelling tot hetgeen het middel betoogt, niet relevant voor de beslissing van de onderhavige zaken. Evenmin bestond er een reden om de onderhavige zaken aan te houden in afwachting van de uitspraak van het Hof.
Primera Air Scandinaviaheeft bevestigd dat het recht op compensatie als bedoeld in art. 7 van Pro de Verordening van toepassing is in een situatie waarin de door een passagier gekochte vlucht deel uitmaakt van een pakketreis, zonder dat dit van invloed is op de eventuele rechten op grond van Richtlijn 90/314. [58]
ofeen ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator. Het ticket en ander bewijs zijn twee alternatieve vereisten. Naast een ticket behoeft er dus niet tevens bewijs te bestaan dat de luchtvaartmaatschappij of touroperator de boeking heeft aanvaard en heeft geregistreerd. Zoals ik bij de bespreking van de klacht onder a heb vermeld, heeft de kantonrechter geoordeeld dat er sprake is van een ticket. Ik herhaal dat het daarbij van belang is dat de passagiers een geldig of gelijkwaardig document hebben dat door de luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent is uitgegeven of
toegestaan. Om te beoordelen of het ‘toegestaan’ aan de orde is, is de constructie tussen Aegean, G.S. Charter en [A] relevant. In rov. 4.5 heeft de kantonrechter hieromtrent overwogen dat Aegean de afhandeling van de vluchten volledig aan G.S. Charter heeft overgelaten, die de capaciteit vervolgens heeft doorverkocht aan [A] en dat Aegean tot 17 juli 2015 passagiers met boekingen bij [A] ook daadwerkelijk heeft vervoerd. Ik wijs daarbij ook op hetgeen de kantonrechter in rov. 4.6 heeft overwogen betreffende de contractuele verhoudingen tussen partijen. Er is dus sprake van toestaan in de zin van art. 2 onder Pro f) van de Verordening.
onder adat de kantonrechter heeft miskend dat hier sprake was van een annulering door [A] van de aan haar betaalde boekingen en niet van een ‘annulering van een vlucht’ door Aegean als luchtvaartmaatschappij, die de passagiers recht geeft op compensatie op grond van art. 5 en Pro 7 en op terugbetaling van tickets op grond van art. 8 lid 1 onder Pro a) van de Verordening. Hieraan doet niet af dat na de annulering van de boekingen van de passagiers Aegean heeft besloten om de chartervluchten niet meer uit te voeren, zo voert Aegean aan.
wiede vlucht heeft geannuleerd, maar
datde vlucht niet is uitgevoerd. De kantonrechter heeft overwogen dat vast staat dat de geboekte vluchten niet door Aegean zijn uitgevoerd. Om die reden kan worden gesproken van een annulering.
Harms. [69] Die zaak betrof vluchten waarvoor tickets waren aangekocht via een tussenpersoon die daarvoor een provisie had ontvangen. In geschil was of die provisie deel uitmaakt van de prijs van het ticket dat door de betrokken luchtvaartmaatschappij aan de passagier moet worden terugbetaald. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat de prijs van het ticket dat door de luchtvaartmaatschappij moet worden terugbetaald niet in alle gevallen beperkt is tot het bedrag dat door de luchtvaartmaatschappij als prijs voor het ticket is ontvangen. Indien de luchtvaartmaatschappij heeft toegestaan dat de tussenpersoon een bepaalde prijs inclusief provisie voor het ticket vaststelde, dan moet ook die provisie door de luchtvaartmaatschappij aan de passagier worden terugbetaald. Ten onrechte betoogt het middel dat Aegean de ticketprijs niet hoeft terug te betalen omdat zij het door de passagiers aan [A] betaalde bedrag niet heeft ontvangen. De klacht onder d faalt.
onzekerheid over de uitlegging van het toepasselijke recht, met inbegrip van het gemeenschapsrecht, uiteindelijk tot controle van de hoogste rechter (kan) leiden”. [73] Het beperkte cassatieberoep op grond van art. 80 lid 1 RO Pro voldoet hieraan niet, zodat de kantonrechter in dit geval als hoogste rechter in de zin van art. 267 VWEU Pro moet worden aangemerkt en daarom verplicht kan zijn om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen.