Conclusie
Wyeth/Rined) en 19/01096 (
Wyneth/ […] e.a.). Ik concludeer vandaag in alle drie de zaken.
1.Feiten
Wyeth), had in de voor dit geding relevante periode in Ierland een faciliteit voor de productie van farmaceutische producten. Daar werden onder meer orale anticonceptiepillen geproduceerd, waarbij het synthetische hormoon medroxy progesteron acetaat (hierna:
MPA) werd gebruikt. Onderdeel van het productieproces betrof het coaten van de geneesmiddelen met een suikerhoudend laagje. Dit productieproces resulteerde in twee afvalstromen: een wateroplossing met alleen suiker en kleurstof (suikerwater) en suikerwater met MPA. MPA wordt beschouwd als een groeihormoon. Om die reden heeft de Europese Unie het gebruik ervan in de veehouderij verboden. [2]
Integrated Pollution Prevention and Control Licence(hierna:
IPC-vergunning) op grond van de Ierse
Environmental Protection Agency Act. Ingevolge deze vergunning was zij gehouden haar suikerwaterafval te verwerken conform de nationale en internationale regelgeving ter zake van afvalstoffen, waaronder de Europese Verordening betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen (hierna:
EVOA). [3]
Cara), een Ierse afvalmakelaar. Vanaf medio 2000 heeft Wyeth ook het suikerwater met MPA aan Cara overgedragen.
Bioland) te Arendonk (België), een fabrikant van onder meer limonade. Wyeth was hiervan op de hoogte. Beide afvalproducten werden gecombineerd verzonden en hadden een zogeheten ‘groene lijst classificatie’ voor niet-gevaarlijk afval. Het Ierse Environmental Protection Agency (EPA), dat onderzoek heeft gedaan naar deze afvalstromen, heeft onder meer het volgende vastgesteld: [4]
[A]), een vennootschap die tot hetzelfde concern behoort als verweerster in cassatie (hierna:
[verweerster]).
2.Procesverloop
het hof). Bij tussenarrest van 19 december 2017 (hierna:
TA) heeft het hof geoordeeld dat Wyeth onrechtmatig jegens [verweerster] heeft gehandeld en dat de gevorderde verklaring voor recht daarom toewijsbaar is. Het hof heeft iedere beslissing aangehouden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich bij comparitie over de omvang van de schade uit te laten. Bij eindarrest van 25 september 2018 (hierna:
EA) heeft het hof een oordeel gegeven over de schuldverdeling en de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure.
tussenarrest, samengevat, het volgende overwogen.
eindarrestheeft het hof over de mate van eigen schuld een nader oordeel gegeven. Het hof heeft overwogen dat [verweerster] en [C] als leden van de [B-groep] , waarvan ook [A] deel uitmaakte, met de relevante regelingen en met inhoud en doel van de GMP-code bekend waren als ware zijzelf producent. Zij wisten dat Bioland niet GMP-erkend was. Op hen rustte een stringente onderzoeksplicht, die zij niet hebben nageleefd (rov. 2.7-2.13 EA). Voor een aanmerkelijk deel moet de schade daarom ten laste van [verweerster] blijven, maar [verweerster] en [C] treft echter geen 100 % eigen schuld. Wyeth had erop bedacht moeten zijn dat het in het verkeer brengen van suikerwater met MPA risico’s met zich brengt en kon er niet redelijkerwijs op vertrouwen dat dit verontreinigde suikerwater niet terecht zou komen in de diervoederindustrie (rov. 2.14 EA). Tevens kon Wyeth het suikerwater met MPA alleen aan Bioland leveren omdat zij de voor haar geldende regels omtrent transport en verwerking van haar afval heeft geschonden, waardoor zij het aanmerkelijke risico heeft genomen dat onoordeelkundig met het afval zou worden omgegaan, zoals ook is gebeurd (rov. 2.15 EA). Alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder de ernst van de verwijtbaarheid aan weerszijden, heeft het hof geoordeeld dat de (nog nader te onderzoeken) schadecomponenten over partijen moet worden verdeeld in een verhouding waarbij als uitgangspunt Wyeth voor 30 % aansprakelijk is en dus 70 % voor rekening blijft van [verweerster] (rov. 2.18 EA). Vervolgens heeft het hof verwezen naar de schadestaatprocedure (rov. 2.23 EA).
3.Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep
subonderdelen 7.1 en 7.2, die betrekking hebben op de vraag hoe (de mate van) eigen schuld van [verweerster] moet worden vastgesteld.
onder 1.1in de kern aan dat het hof heeft miskend dat voor de vraag of een daad schadelijk inwerkt op een persoon, een goed of het natuurlijk milieu in de zin van art. 3 lid 2 WCOD Pro noodzakelijk is dat deze daad
rechtstreeksschade veroorzaakt. Indien zich in de causale keten tussen de daad en de schade een of meer noodzakelijke schakels bevinden die bestaan uit (onrechtmatig) menselijk handelen, is geen sprake van schadelijke inwerking als bedoeld in art. 3 lid 2 WCOD Pro.
Onder 1.2klaagt het middel dat indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd dat de schadelijke inwerking van het aan Wyeth verweten onrechtmatig handelen in Nederland is te lokaliseren.
lex loci delicti). Het tweede lid geldt als uitzondering op de hoofdregel. Het bepaalt dat de toepassing van de
lex loci delictiachterwege blijft in het geval van een meervoudige locus, waarbij de onrechtmatige handeling in de ene staat wordt verricht (
Handlungsort) en de schade in een andere staat is opgetreden (
Erfolgsort). In dat geval is het recht van het
Erfolgsortvan toepassing (
lex loci damni). Aan de toepassing van het recht van het
Erfolgsortis echter, in een ‘tenzij-bepaling’ aan het slot van het tweede lid, een onvoorzienbaarheidsexceptie gekoppeld: indien de dader redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien dat zijn daad in het
Erfolgsortzou inwerken, blijft toepassing van het recht van de
lex loci damniachterwege. Het ligt op de weg van de dader daarvan bewijs te leveren.
place of injury’zoals gebruikt in art. 4 van Pro het Haagse Produktenaansprakelijkheidsverdrag van 1973. [13]
Erfolgsort) moet volgens het arrest
Dumez Franceworden uitgelegd als “
de plaats waar het veroorzakende feit dat de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad meebrengt, rechtstreeks schadelijke gevolgen heeft gehad voor degene die er rechtstreeks door is gelaedeerd”. [15] Zoals het middel terecht betoogt, geldt dit ook voor de uitleg van art. 3 lid 2 WCOD Pro.
Dumez Francevolgt dat het vereiste van een ‘rechtstreeks verband’ tussen het onrechtmatig handelen en de daardoor geleden schade ziet op het onderscheid tussen initiële schade en gevolgschade. [16] Anders dan het middel ingang wil doen vinden, is niet vereist dat zich tussen het verweten handelen en de schade geen noodzakelijke schakels bevinden die bestaan uit menselijk handelen. Onder de regels van Nederlands internationaal privaatrecht die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van de WOCD, was dat overigens niet anders. [17]
onder 1.4aan dat het hof in rov. 2.10 TA een onbegrijpelijke lezing heeft gegeven aan Wyeths stellingen. Wyeth heeft namelijk niet alleen betoogd dat zij de schadelijke inwerking van haar handelen in Nederland niet
heeftvoorzien, maar ook dat dat zij deze redelijkerwijs niet
konvoorzien.
onder 1.6aan dat het oordeel dat via art. 10:159 BW Pro het toepasselijk recht door overeenkomstige toepassing van de Rome II-Verordening dient te worden bepaald, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
lex loci damni(dit in tegenstelling tot art. 3 lid 1 WCOD Pro). Wat daar ook van zij, het oordeel van het hof dat Nederlands recht van toepassing is berust niet op deze overweging. De klacht is gericht tegen een overweging ten overvloede en kan daarom reeds bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
indien de mate van waarschijnlijkheid van die verwezenlijking als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden”en dat daarbij ook geldt dat
“niet alleen[moet]
worden gelet op de kans op schade, maar ook op de aard van de gedraging, de aard en de ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen.” [18] Mocht het hof deze maatstaf niet hebben miskend, dan heeft het zijn oordeel dat Wyeth onrechtmatig gevaarzettend heeft gehandeld onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Onder 2.2-2.6wordt deze klacht nader uitgewerkt.
onrechtmatigheid. Het hof heeft geoordeeld (i) dat het suikerwater met en zonder MPA moet worden aangemerkt als een gevaarlijke stof in de zin van de EAL/EWC (rov. 2.17-2.19), (ii) dat de EVOA van toepassing is op de export van het afvalsuikerwater en hier sprake is van een stof op de oranje lijst (rov. 2.20), (iii) dat Wyeth geen nader onderzoek heeft gedaan naar de vergunningen van Bioland en dit wel had moeten doen (rov. 2.21-2.22), (iv) dat Wyeth dit onderzoek ook had moeten doen op grond van de verplichtingen onder EVOA (rov. 2.23) en dat Wyeth enkele verplichtingen onder de EVOA waaronder de kennisgevingsplicht heeft geschonden (rov. 2.23-2.2.28). In rov. 2.25 heeft het hof geoordeeld dat de EVOA ertoe strekt om de belangen te beschermen als die van [verweerster] en [C] . Op deze gronden komt het hof in rov. 2.29 tot de conclusie dat Wyeth onrechtmatig heeft gehandeld.
indien dit niet mogelijk is(ii) een erkende inzamelaar, geregistreerd handelaar of makelaar (...)”.
Onder 3.2voert het middel aan dat het hof dit wel had moeten toetsen, gelet op het essentiële verweer van Wyeth dat niet zij voornemens was afvalstoffen over te brengen of te doen overbrengen, maar het initiatief hiertoe steeds van Cara uitging.
subonderdelen 3.1 en 3.2lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. De klachten gaan uit van een onjuiste lezing van het tussenarrest. Het hof heeft namelijk wél getoetst of Wyeth voornemens is geweest om afvalstoffen over te brengen of te doen overbrengen. Dit blijkt uit de tweede zin van rov. 2.27, waarin het hof overweegt dat Wyeth ermee bekend was dat Cara Wyeth’s afval bij Bioland in België wilde laten verwerken. De klachten missen daarom feitelijke grondslag.
proposes to ship waste or have waste shipped’ heeft volgens Wyeth een andere betekenis dan de Nederlandse term ‘
voornemens is afvalstoffen over te brengen of te doen overbrengen’.
propose’ betekent in deze context hetzelfde als de Nederlandse term ‘voornemens zijn’. In deze betekenis komt de term ‘
propose’ ook overeen met de in de andere taalversies gebruikte termen. [24] Het zou niet logisch zijn ‘
propose’hier op te vatten als ‘voorstelt’. Niet duidelijk is aan wie een voorstel tot overbrenging moet worden gedaan en al even onlogisch is het dat enkel een voorstel al zou leiden tot een kennisgevingsplicht aan de bevoegde autoriteit. In de herziene en thans geldende versie van de EVOA uit 2006, waar ik zo dadelijk ook over kom te spreken, is de Engelse taalversie op dit punt overigens aangepast. Er staat nu: ‘
whointendsto carry out a shipment of waste orintendsto have a shipment of waste carried out.’ [25] Deze taalkundige
alignmenthoudt geen inhoudelijke wijziging in.
Pedersen, waarin is geoordeeld dat deze zinsnede ruim moet worden uitgelegd. Ook een erkende inzamelaar of een geregistreerde of erkende handelaar of makelaar kan als kennisgever worden toegelaten. [26] Het is juist dat genoemd arrest bevestigt dat het onpraktisch of onredelijk zou zijn om alleen de producent van het afval als kennisgever toe te laten. Het arrest moet echter in zijn context worden gezien. De zinsnede ‘indien dat niet mogelijk is’ leverde voorheen vooral een probleem op als anderen dan de afvalproducent de kennisgeving
wildendoen en daarvoor niet werden toegelaten.
Onder 4.2 en 4.3voert het middel aan dat het oordeel van het hof dat een causaal verband bestaat tussen het door Wyeth nalaten kennisgevingen te doen en de schade, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
Onder 4.4klaagt het middel dat indien het hof toepassing heeft gegeven aan de omkeringsregel en heeft geoordeeld dat op Wyeth de bewijslast rust van het ontbreken van het causale verband, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat de omkeringsregel niet leidt tot omkering van de bewijslast. Deze klachten kunnen gezamenlijk worden behandeld.
onder 5.1dat het arrest ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof in het geheel niet is ingegaan op het essentiële verweer dat [verweerster] en [C] zich door hun eigen gedrag, en het aan hen toe te rekenen gedrag van [A] , aan de door Wyeth geschonden norm geboden bescherming hebben onttrokken.
he who comes to the court has to come with clean hands’,over het Nederlandse recht heeft betoogd:
jegens de eiseronrechtmatig is. Daarbij is het vraagstuk van eigen schuld zonder belang.
onder 6.1dat het hof ondanks het uitvoerig gemotiveerde essentiële verweer van Wyeth ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de toerekening van de schade in de zin van art. 6:98 BW Pro. Het hof heeft hiermee miskend dat zonder een oordeel hierover niet kan worden toegekomen aan art. 6:101 BW Pro.
Dit betekent dat de schadelijke gevolgen van de verontreiniging van het diervoer met MPA (mede) dienen te worden toegerekend aan Wyeth, die redelijkerwijs rekening had moeten houden met een onjuiste aanwending van het afval waarvan zij zich ontdeed.”
condicio sine qua non-verband) bestaat tussen het onrechtmatig handelen van Wyeth en de schade. Na een weging van relevante factoren of gezichtspunten heeft het hof vervolgens geoordeeld dat het redelijk is dat bepaalde gevolgen aan de aansprakelijke persoon wordt toegerekend en daarmee het toerekeningsverband van art. 6:98 BW Pro aangenomen. [28]
S/ […] . [30] Door de schade te verdelen op grond van alle omstandigheden van het geval en de wederzijdse mate van schuld in het bijzonder, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In ieder geval heeft het hof niet voldoende gemotiveerd vastgesteld van welke causale verdeling sprake is en of de billijkheidscorrectie dient te worden toegepast.
Onder 7.2benadrukt het middel dat het hof ook in rov. 2.6 EA niet tot een causale verdeling is gekomen.
Van Keulen/Triasuit 1995. [36] Die zaak betrof een aanrijding tussen een motorrijtuig en een kind waarbij de schade over de regres nemende verzekeraar en de bestuurder op grond van art. 6:101 BW Pro werd verdeeld. In die zaak heeft de Hoge Raad, voor zover hier relevant, het volgende geoordeeld (mijn onderstreping):
Eigen schuld’, na de aangevoerde omstandigheden aan beide zijden te hebben onderzocht, in rov. 2.18 EA tot de slotsom gekomen als hiervoor geciteerd in 3.64. Net als het geval was in de zaak
Van Keulen/Triasblijkt uit rov. 2.18 EA niet of de aangebrachte schuldverdeling het resultaat is van enkel een causaliteitsafweging, waarbij het hof dan ten onrechte de mate van verwijtbaarheid heeft betrokken, of dat het hof de billijkheidscorrectie heeft toegepast, waarbij dan niet voldoende is gemotiveerd tot welke verdeling de causaliteitsafweging heeft geleid en op welke gronden deze verdeling correctie behoeft. Het hof heeft dusdoende blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de te hanteren maatstaf van art. 6:101 BW Pro of een onvoldoende begrijpelijk oordeel gegeven.
4.Bespreking van het middel in het incidentele cassatieberoep
regelgevingde toepasselijke regelgeving opgenoemd. In rov. 4.17 is de rechtbank vervolgens tot de conclusie gekomen dat in het licht van de onder 4.7 weergegeven regelgeving de omstandigheden meer dan voldoende aanleiding gaven om nader onderzoek naar de aard, herkomst en samenstelling van het product te doen alvorens dit te kopen, in te voeren, verder te verspreiden en – niet in de laatste plaats – te voeren aan hun vleesvarkens.
en dierte beschermen. In het onderhavige geval strekt de geschonden norm dus tot voorkoming van de schade die [verweerster] en [C] hebben geleden, namelijk een aantasting van de gezondheid en het overlijden van de varkens. De klacht faalt.
5.Wijze van afdoening van de zaak
dat bijgevolg aan het arrest [van het hof] in zoverre geen bindende kracht toekomt” en verwierp het cassatieberoep. [42]