Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
15 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had in een eenvoudige kasopstelling contante bedragen opgenomen die tijdens doorzoekingen waren aangetroffen, maar had nagelaten verbeurdverklaarde bedragen in mindering te brengen op de betalingsverplichting.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het hofsoordeel voor zover het de vaststelling van de betalingsverplichting betreft, en stelde voor het bedrag te verminderen met de verbeurdverklaarde contante gelden. De Hoge Raad volgt dit advies en stelt de betalingsverplichting vast op € 167.257,-, na vermindering met € 9.870,- aan verbeurdverklaarde bedragen.
De overige middelen van cassatie worden verworpen omdat zij geen aanleiding geven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad vernietigt het hofsoordeel uitsluitend voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betreft en wijst het beroep voor het overige af.
Uitkomst: Betalingsverplichting tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd tot € 167.257,- door verrekening van verbeurdverklaarde bedragen.