Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelkomt met twee klachten op tegen de motivering van de bewezenverklaring.
Volgens het hof moest de verdachte vermoeden dat de bedragen van misdrijf afkomstig waren omdat het ging om het vervoer en overhandiging van contante bedragen van aanzienlijke omvang die door de verdachte en zijn vriendin als passagier per vliegtuig werden vervoerd van Nederland naar Amerika, terwijl de bedragen afkomstig waren van iemand van wie de verdachte kennelijk niet wist op welke legale wijze deze aan zijn inkomsten kwam, maar wel dat deze enkele malen was veroordeeld wegens strafbare feiten, wegens hasjhandel, laatstelijk tot zes jaren gevangenisstraf.
De Hoge Raad overwoog dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen en overdragen van de geldbedragen in die mate was tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldwitwassen vereiste aanmerkelijk onvoorzichtigheid had gehandeld, zodat de bewezenverklaring – mede in het licht van hetgeen de verdachte ter terechtzitting over dat geld had verklaard – niet naar de eis der wet met redenen was omkleed.