ECLI:NL:PHR:2020:427

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2020
Publicatiedatum
24 april 2020
Zaaknummer
19/00860
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens schending aanwezigheidsrecht verdachte in hoger beroep

De verdachte werd bij arrest van 14 februari 2019 door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens diefstal, waarbij verstek tegen hem werd verleend omdat hij niet aanwezig was bij de zitting in hoger beroep. De advocaat die aanwezig was, had geen uitdrukkelijke volmacht om de verdediging te voeren. De verdachte was echter ten tijde van de zitting in hoger beroep op 31 januari 2019 in verzekering gesteld op het politiebureau, zoals blijkt uit diverse proces-verbalen van politie en rechter-commissaris.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad stelt dat het hof onjuist heeft gehandeld door verstek te verlenen, omdat de verdachte niet vrijwillig afstand kon doen van zijn recht om aanwezig te zijn. Dit recht is geschonden omdat de verdachte rechtens van zijn vrijheid was beroofd zonder dat het hof daarvan op de hoogte was.

Gezien het grote belang van het aanwezigheidsrecht van de verdachte wordt het bestreden arrest vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling in hoger beroep in aanwezigheid van de verdachte.

De conclusie bevat tevens een uitgebreide motivering en verwijzingen naar eerdere jurisprudentie over het aanwezigheidsrecht en de voorwaarden waaronder verstek kan worden verleend. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging gevonden.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe behandeling in hoger beroep in aanwezigheid van de verdachte.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/00860
Zitting12 mei 2020 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1.
De verdachte is bij arrest van 14 februari 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “diefstal”, bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Het hof heeft drie vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde gevangenisstrafstraffen afgewezen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.W.E. Luiten, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3.Het middel

3.1.
Het middel bevat de klacht dat de verdachte in strijd met art. 6 EVRM Pro niet in de gelegenheid is gesteld bij de berechting van zijn zaak in hoger beroep aanwezig te zijn, omdat hij ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep was ingesloten in een politiebureau zodat hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
3.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 januari 2019 houdt in dat dat de verdachte, hoewel rechtsgeldig opgeroepen, niet is verschenen. Ter terechtzitting was aanwezig mr. M. Rosema, maar die verklaarde niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Het hof heeft vervolgens verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.
3.3.
Aan de cassatieschriftuur zijn de volgende stukken van de politie van de Eenheid Noord-Nederland, district Drenthe, gehecht:
(i) Een proces-verbaal van aanhouding waaruit volgt dat de verdachte op 29 januari 2019 te 10.30 uur is aangehouden;
(ii) Een proces-verbaal van voorgeleiding in verband met aanhouding waaruit volgt dat de hulpofficier van justitie op 29 januari 2019 te 11.10 uur het bevel heeft gegeven om de verdachte op te houden voor onderzoek;
(iii) Het bevel tot inverzekeringstelling waaruit volgt dat de verdachte op 29 januari 2019 te 17.35 uur in verzekering is gesteld;
(iv) Het proces-verbaal van verhoor inverzekeringstelling en inbewaringstelling waaruit volgt dat de verdachte op 1 februari 2019 te 12.14 uur is gehoord door de rechter-commissaris in verband met de toetsing van de inverzekeringstelling en een vordering tot het verlenen van een bevel tot bewaring. De rechter-commissaris heeft de vordering bewaring toegewezen, maar verdachte geschorst onder algemene voorwaarden.
3.4.
Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding aan een verdachte in persoon rechtsgeldig is betekend, de verdachte noch een (gemachtigd) raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. De mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak rechtens van zijn vrijheid was beroofd zonder dat dit de rechter bekend was. [1]
3.5.
Op grond van de hiervoor onder 3.3 weergegeven stukken, waarvan aan de herkomst en betrouwbaarheid in redelijkheid niet hoeft te worden getwijfeld, moet worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep op 31 januari 2019 in verzekering was gesteld. Dit brengt mee dat achteraf bezien de beslissing van het hof om verstek tegen de verdachte te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten onjuist is.
3.6.
Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, dient de verdachte de mogelijkheid te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd. Het middel is dus terecht voorgesteld.

4.Conclusie

4.1.
Het middel slaagt.
4.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m. nt. Schalken, HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042; HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98; HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:388; HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1128, NJ 2017/279, m. nt. Mevis, HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3224; HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2019:661, HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:788 en HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1149.