Conclusie
1.De feiten
1 Bindende vaststelling van de prijs van de [verweerder 4] Aandelen
2.Overname [verweerder 4] Aandelen tegen de door [ [A] ] vastgestelde prijs
3.Voorwaarden
5.Finale kwijting
Indicatieve Waarderinguitgebracht van de 20% gewone aandelen die [verweerder 4] houdt in DEM. Die waarde is door [A] per peildatum 9 juli 2014 vastgesteld op € 4.093.000,--. Op deze waarde moet conform de VSO het na de peildatum op dit pakket uitgekeerde dividend in mindering worden gebracht. [A] gaat ervan uit dat partijen dit zelfstandig regelen.
2.Het procesverloop
escrowte plaatsen, zodanig dat [verweerder 2] en [verweerster 3] hierover tot hun genoegen kunnen beschikken, ter voldoening van de hiervoor onder b bedoelde kosten van verweer;
Indicatieve Waarderingomdat daarin staat dat onderbouwde en consistente informatie over de DEM-groep ontbreekt en dat dit een betrouwbare inschatting van toekomstige kasstromen onmogelijk maakt;
going concerndoelstelling niet verlaat. DEM stelt dat JKS en STAK in dat verband een onjuiste voorstelling van zaken geven. De Ondernemingskamer overweegt tot slot dat door [verweerder 2] genomen of voorgenomen maatregelen waaronder het reduceren van de beloning van [betrokkene 3] en het door BACS Investing B.V. - waarvan DEM bestuurder is - verkopen van haar aandeel in de villa in Noordwijk, niet kunnen worden gekwalificeerd als liquidatiehandelingen, terwijl ook overigens die handelingen geen blijk geven van kennelijk onredelijk bestuurlijk optreden van [verweerder 2] .
escrowte plaatsen, overweegt de Ondernemingskamer als volgt. De Ondernemingskamer kwalificeert dit verzoek als een verzoek tot het treffen van een onmiddellijke voorziening, die ten nauwste samenhangt met de toewijzing van het verzoek met betrekking tot de kosten van verweer. Om de toewijzing van dat verzoek in dit geval doeltreffend te kunnen laten zijn, is het nodig dat de Ondernemingskamer aan [verweerder 2] de betreffende bevoegdheid toekent. Het feitelijk plaatsen van gelden buiten de macht van de vennootschap in
escrow, is een gevolg van de te treffen onmiddellijke voorziening, welk gevolg niet wordt getroffen door beëindiging van de tweede fase procedure. De bepaling dat de vennootschap de kosten van verweer draagt, moet juist dan nog kunnen worden geëffectueerd. Dat kan alleen indien, ook na het beëindigen van de procedure gelden van de vennootschap, buiten de macht van de vennootschap, kunnen worden aangewend ten behoeve van de te maken kosten van verweer. De Ondernemingskamer acht dit een en ander noodzakelijk in het licht van het belang van een doeltreffende bescherming van de door de Ondernemingskamer benoemde functionarissen tegen de mogelijke kosten van verweer tegen aansprakelijkstelling vanwege hun taakvervulling. Het verzoek zal worden toegewezen nu het bedrag van € 1 miljoen ten behoeve van beide functionarissen in het onderhavige geval de Ondernemingskamer op zich zelf niet onredelijk voorkomt.
escrowniet toelaat, dan is [verweerder 2] bevoegd, eveneens bij wijze van onmiddellijke voorziening en op gelijke wijze als hierboven overwogen, om op andere wijze zeker te stellen dat een bedrag van in totaal € 1 miljoen buiten de macht van DEM wordt gereserveerd ten behoeve van beide functionarissen ter voldoening van de hierboven bedoelde kosten van verweer.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
Exceptief verweer
e-Traction-beschikking van de Hoge Raad. [19] Zij stellen dat de onderhavige procedure gaat over verzoeken (met betrekking tot de uitvoering van de VSO en het zekerstellen van dekking van de kosten van verweer van de tijdelijke OK-functionarissen) waarop niet meer kan worden beslist nadat de enquêteprocedure is geëindigd. De enquêteprocedure is op 25 juli 2019, althans in ieder geval drie maanden later toen de cassatietermijn van de beschikking van 25 juli 2019 onbenut verstreek, definitief geëindigd. Nu de enquêteprocedure is geëindigd, met uitdrukkelijke instemming van JKS en STAK, is er volgens hen ook geen plaats meer om op het onderhavige cassatieberoep te beslissen en dienen JKS c.s. niet-ontvankelijk te worden verklaard, althans dient het cassatieberoep te worden verworpen. Een eventuele gegrondbevinding van (een deel van) de klachten zou ook niet kunnen leiden tot een andere uitkomst van de zaak, omdat de enquêteprocedure niet kan worden “heropend” voor een beslissing op de onderhavige verzoeken. JKS c.s. hebben dus in ieder geval geen belang bij hun cassatieberoep. Dit leidt ertoe dat het cassatieberoep verder niet meer inhoudelijk hoeft te worden beoordeeld.
e-Traction-beschikking, (ii) er geen reden is om aan te nemen dat gedurende de enquêteprocedure getroffen voorzieningen na afloop van de enquêteprocedure per definitie niet aantastbaar zijn door de hogere rechter; de stelling van [verweerder 2] en [verweerster 3] feitelijk bewerkstelligt dat het oordeel van de ondernemingskamer niet ter beoordeling aan een hogere rechter kan worden voorgelegd, wat een schending van de in Rv, de Gw en het EVRM gewaarborgde rechten zou opleveren, (iv) er geen enkele grond bestaat om aan te nemen dat oorspronkelijke aandeelhouders zich tegen het vertrek van tijdelijke functionarissen zouden moeten verzetten om het rechtsmiddel van cassatie in te kunnen stellen tegen een beschikking die niet eens ziet op de benoeming of het vertrek van die functionarissen, (v) een eventueel oordeel dat JKS c.s. onvoldoende belang hebben bij hun cassatieberoep niet tot niet-ontvankelijkheid, maar hooguit tot verwerping van het beroep na inhoudelijke beoordeling kan leiden, (vi) irrelevant is voor de vraag naar voldoende belang of gegrondbevinding van een deel van de cassatieklachten nog tot een andere “uitkomst” van de enquêteprocedure als zodanig kan leiden, en (vii) het belang bij het cassatieberoep er in dit geval wel degelijk is.
e-Traction-beschikking heeft de Hoge Raad het volgende overwogen over het moment waarop de enquêteprocedure eindigt en wat dat betekent voor verzoeken tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen:
e-Traction-beschikking voor het onderhavige geval dat met de onherroepelijk geworden beschikking van 25 juli 2019 de enquêteprocedure definitief is geëindigd en dat er dus geen plaats meer is voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Het is niet verwonderlijk dat JKS c.s. geen cassatieberoep hebben ingesteld tegen de beschikking van de ondernemingskamer van 25 juli 2019. Uit die beschikking blijkt juist dat JKS en STAK de ondernemingskamer bij brief van hun advocaat hebben bericht het beëindigingsverzoek van DEM en [verweerder 2] te ondersteunen. [20] Met deze beëindiging werd ook een einde gemaakt aan het tijdelijk bestuur van DEM door [verweerder 2] en het beheer van de aandelen DEM door [verweerster 3] . [21] Mijns inziens is ook van belang dat geen cassatieberoep is ingesteld tegen de beschikking van 23 januari 2018, waarbij de voorzieningen die in de beschikking van 25 juli 2019 zijn beëindigd waren getroffen. In dit verband wijs ik ook op rov. 4.2.3 van de
e-Traction-beschikking:
e-Traction-beschikking volgt dus, naast dat geen plaats meer is voor het treffen van (nieuwe) onmiddellijke voorzieningen, ook dat geen plaats meer is voor het klagen over in de beschikking van 23 januari 2018 getroffen voorzieningen.