Conclusie
primairte bepalen dat haar vordering een boedelschuld is en dat de tussentijdse uitdelingslijst hiertoe wordt aangepast en
subsidiairte bepalen dat de curator alvast tot uitkering dient over te gaan van het voor de uitkering aan de concurrente schuldeisers uitgetrokken bedrag aan [verweerster] (als ware zij een concurrente schuldeiser). De curator heeft hiertegen verweer gevoerd.
2.Bespreking van het cassatieberoep
Inleiding
de opdrachtgever/hoofdschuldenaardie met de bank is overeengekomen dat een bankgarantie ten behoeve van de begunstigde/schuldeiser wordt gesteld,
de bankdie de bankgarantie stelt ten behoeve van de begunstigde/schuldeiser en
de begunstigde/schuldeiserin wiens belang de bankgarantie is gesteld en die onder voorwaarden gerechtigd is om de bankgarantie in te roepen [8] . Aan de basis van de bankgarantie ligt steeds een onderliggende rechtsverhouding – vaak is dat een overeenkomst tussen de opdrachtgever/hoofdschuldenaar en de begunstigde/schuldeiser [9] (ook wel aangeduid als ‘basisovereenkomst’ of ‘onderliggende overeenkomst’ [10] ).
abstracte [11] bankgarantie een belangrijke functie. Een abstracte bankgarantie bevat een betalingsverplichting die zelfstandig is ten opzichte van de onderliggende rechtsverhouding. Dit brengt mee dat verweren ontleend aan die rechtsverhouding in beginsel niet in de weg kunnen staan aan de vordering tot betaling uit hoofde van de bankgarantie, indien aan de in de bankgarantie gestelde voorwaarden voor betaling is voldaan [12] . In dit verband wordt ook wel gesproken over ‘afroepgarantie’ of garantie ‘on first demand’, waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat de begunstigde door het inroepen van de garantie op eenvoudige wijze betaling kan bewerkstellingen, en het vervolgens op de weg van de opdrachtgever/hoofdschuldenaar ligt om in discussie te treden over de vraag of de begunstigde/schuldeiser wel gerechtigd was tot ontvangst van de betaling (‘eerst betalen, dan praten’) [13] .
[verweerster] ,maar door
de banken [verweerster] vervolgens op haar beurt een contragarantie ten gunste van de bank heeft gesteld (en er van een overeenkomst tussen Vormbouw en [verweerster] geen sprake is).
doen stellendoor de bank ten gunste van Vormbouw tot zekerheid van nakoming van verplichtingen van [A] jegens Vormbouw. Het onderdeel voert op zichzelf wel terecht aan dat hier sprake is van minder zorgvuldig taalgebruik, omdat de bankgarantie ten gunste van Vormbouw juridisch niet is gesteld door [verweerster] , maar door de bank (zoals het woord bankgarantie ook al aangeeft). Dat is door de rechtbank evenwel niet miskend: bedoeld is kennelijk met het bij het spraakgebruik aansluitende “ [verweerster] heeft een bankgarantie gesteld”: [verweerster] heeft die garantie doen stellen door de bank, of: [verweerster] heeft opdracht gegeven aan de bank om een bankgarantie te stellen ten gunste van Vormbouw. Dat minder zorgvuldige taalgebruik sluit aan bij de betreffende stellingnames van [verweerster] en de curator in deze snelle verzetprocedure. Ook zij hebben in de stukken gesteld dat de bankgarantie is gesteld door [verweerster] [31] . Van onbegrijpelijkheid is hier geen sprake [32] . Niet in rov. 2.3 en evenmin in rov. 4.10.
de garantis in plaats van de opdrachtgever tot het stellen van de bankgarantie, dit feitelijke grondslag mist. Daar kom ik hierna bij de behandeling van onderdeel 3 nader op terug (in 2.24 en 2.27).
“In de tekst van de overeenkomst tussen Vormbouw en [verweerster] (…)”) is dus op zich gegrond, maar kan volgens mij bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Uit de beschikking blijkt duidelijk dat deze kennelijke vergissing de beslissing van de rechtbank dat de vordering van [verweerster] kwalificeert als boedelschuld niet heeft beïnvloed. De rechtbank leidt uit de tekst van ‘de overeenkomst tussen Vormbouw en [verweerster] ’ – waarmee kennelijk is bedoeld: de tekst van de financieringsovereenkomst tussen [A] en [verweerster] [33] – én de tekst van de bankgarantie alleen af dat de bankgarantie mocht worden geïnd na het uitspreken van het faillissement van [A] . Dát oordeel is in cassatie niet bestreden. De bestreden feitenvaststelling is mede daarom niet dragend voor de beslissing van de rechtbank dat de vordering van [verweerster] kwalificeert als boedelschuld. De curator heeft bij deze motiveringsklacht daarom volgens mij geen belang. Voor de klacht dat hetzelfde onbegrijpelijkheidsgebrek kleeft aan het refereren aan een overeenkomst tussen Vormbouw en [verweerster] in rov. 4.6 geldt hetzelfde.
tekstvan een overeenkomst tussen Vormbouw en [verweerster] en refereert aan de inhoud van de wel overgelegde financieringsovereenkomst tussen [A] en [verweerster] (die in het kader van de nadere financieringsafspraken tussen [A] en Vormbouw is opgesteld) in rov. 2.3, lijkt mij dat kenbaar sprake is van een kennelijke verschrijving (in deze snelle procedure).
,mist dat feitelijke grondslag. Dat aan de voorwaarden vermeld in de bankgarantie was voldaan en de bankgarantie in zoverre terecht was getrokken door Vormbouw, is door de rechtbank al in rov. 4.6 overwogen. In rov. 4.8 wordt vervolgens geoordeeld als uiteengezet in 2.17.
subonderdeel 3.(i)tevergeefs voorgesteld. In de onderliggende verhouding met [A] bestond ten tijde van de terugbetaling door Vormbouw aan de boedel geen aanspraak (meer) voor Vormbouw op het bedrag dat conform de voorwaarden van de bankgarantie is betaald. Die was tenietgegaan door verrekening. Anders dan de curator in zijn toelichting op deze klacht onder 3.10 van het rekest stelt, doet zich
volgens de rechtbankdan juist wel de situatie voor dat gebleken is dat hoofdschuldenaar [A] in de onderliggende verhouding met begunstigde/schuldeiser Vormbouw niets (meer) aan laatstgenoemde verschuldigd is. Die vordering in de onderliggende rechtsverhouding is als gezegd immers door verrekening teniet gegaan. Als ik dit juist zie, dan moet deze klacht falen bij gemis aan feitelijke grondslag.
de garant(dus de bank) moet worden terugbetaald. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit bedrag aan [verweerster] moet worden terugbetaald. Daarbij heeft de rechtbank – anders dan de klacht tot uitgangspunt neemt – [verweerster] beschouwd als opdrachtgever tot het stellen van de bankgarantie en niet als de garant. Dat kwamen we al tegen bij de bespreking van onderdeel 1 in 2.11 en 2.12.
subonderdeel 3.(iii)kan volgens mij niet tot cassatie leiden. Het oordeel dat er aan [verweerster] als opdrachtgever moet worden terugbetaald, is wel te verenigen met het oordeel in rov. 4.6 dat gelet op de tekst van de bankgarantie en op de overeenkomst tussen Vormbouw en [verweerster] [te lezen als: tussen [A] en [verweerster] , vgl. hiervoor in 2.13-2.14] de bankgarantie naar het oordeel van de rechtbank na het uitspreken van het faillissement van [A] mocht worden geïnd en dus niet ten onrechte door Vormbouw is getrokken. Dit houdt verband met het abstracte karakter van de bankgarantie [41] , hiervoor ingeleid in 2.5. Geoordeeld is dat op zich aan de trekkingsvoorwaarden uit de bankgarantie was voldaan, zodat Voorbouw in zoverre de bankgarantie kon inroepen (rov. 4.6), maar omdat achteraf is gebleken dat Vormbouw op grond van de onderliggende rechtsverhouding met [A] geen recht (meer) heeft op betaling, het bedrag van de bankgarantie moet worden terugbetaald aan [verweerster] als opdrachtgever tot de zekerheidstelling in de vorm van een bankgarantie.
als garantmoet worden terugbetaald, hetgeen niet te verenigen zou zijn met rov. 4.6, zoals het cassatieverzoekschrift in 3.12 toelicht, faalt dat wegens gemis aan feitelijke grondslag, zoals we hiervoor in 2.12 ook al hebben gezien. De garant is hier immers de bank.
subonderdeel 3.(iv)zie ik niet opgaan. De klacht is dat de rechtbank miskent dat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking en ook niet van een nalaten van de curator in strijd met een door hem na te leven verbintenis of verplichting [42] . In de toelichting in 3.13 dat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking stelt de curator dat de afwikkeling van de bankgarantie in onze zaak op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Vormbouw heeft conform de voorwaarden onder de bankgarantie geclaimd en had ook een vordering op [A] die het bedrag van de bankgarantie oversteeg. Vervolgens kwam uit de arbitrageprocedure dat die claim gelet op de onderliggende rechtsverhouding ten onrechte was, achteraf bezien. Het bedrag ter grootte van de bankgarantie is terecht op grond van deze titel, het arbitrale vonnis, door Vormbouw aan de boedel terugbetaald, de in het arbitrale vonnis vastgestelde vordering van [A] op Vormbouw kon wel als grondslag dienen hiervoor, zodat van ongerechtvaardigde verrijking van de boedel geen sprake is [43] .