Conclusie
Verpachter) en verweerder in cassatie (hierna:
Pachter) voor de duur van één jaar gesloten grondgebruikersovereenkomst voor de teelt van pootaardappelen.
den leden 2 en 3 Pachtwet (oud) (hierna ook:
Pw). Verder wordt geklaagd over de wijze waarop het hof tot het oordeel komt dat geen sprake is van eenmalige pacht (art. 70f lid 5 Pw) en de wijze waarop het hof het beroep van Verpachter op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid verwerpt.
1.Feiten en procesverloop
aan u verhuurd voor 1 jaar voor pootaardappelen: à € 1.900,=/ha”.
toev. A-G), de gevraagde goedkeuring als bedoeld in artikel 7:325 lid 3 BW Pro verleend en de overeengekomen pachtprijs gewijzigd in € 7.270,- per jaar. De aldus gewijzigde overeenkomst is goedgekeurd.
den leden 2 en 3 Pw aangemerkt dient te worden als een reguliere pachtovereenkomst voor korte duur (met ingang van 1 januari 2006 en eindigend op 31 december 2006) tegen een pachtprijs van € 7.270,- per jaar voor het geheel, een en ander met inachtneming van de beschikking van de grondkamer van 4 juli 2016;
den leden 2 en 3 – als een reguliere pachtovereenkomst voor korte duur (art. 12 Pw Pro), met ingang van 1 januari 2006 en eindigend op 31 december 2006, tegen een pachtprijs van € 7.270,- per jaar voor het geheel, een en ander met inachtneming van de beschikking van de grondkamer van 4 juli 2016;
2.Ontvankelijkheid cassatieberoep
Ow) daarop van toepassing. Uit art. 74 lid 1 en Pro art. 68a Ow volgt dat die bepalingen onmiddellijke werking hebben voor procedures die op of na 1 september 2007 zijn aangevangen. [10] Daarvan is in deze zaak sprake, nu de procedure ruim na 1 september 2007 is aangevangen. Ik meen dan ook dat Verpachter ontvankelijk is in haar cassatieberoep.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
De eerste ondergetekende wijst er op dat ingevolge artikel 70f, eerste lid, de overeenkomsten aan een aantal vereisten moet voldoen. Zo moet er sprake zijn van een pachtovereenkomst waarvan partijen in de pachtovereenkomst hebben bepaald dat het gaat om los land. Voorts dient de overeenkomst te zijn aangegaan voor de duur van ten hoogste één jaar en dient de overeenkomst te zijn aangegaan voor teelten waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is.”
den lid 3 Pw) afhankelijk is gesteld van tijdige inzending ter registratie. Bovendien is dit impliciet in de parlementaire behandeling bevestigd. De overeenkomst geldt dan als een reguliere pachtovereenkomst. Afgezien van het feit dat registratie binnen twee maanden imperatief is voor het mogen inroepen van het bijzondere regime, heeft zij in wezen geen betekenis, aldus Heisterkamp. [26] Volgens De Hoog is, gelet op de redactie van art. 70f lid 1 Pw, sprake van een constitutief (vierde) vereiste. [27] Rodrigues Lopes gaat er (voor zowel art. 7:396 BW Pro als art. 70f Pw) zonder meer vanuit dat wanneer partijen nalaten de teeltpachtovereenkomst ter registratie in te zenden, zij geen teeltpachtovereenkomst maar een mondelinge pachtovereenkomst hebben gesloten. [28] Ook Valk betoogt dat de verwijzing in het huidige art. 7:396 lid 1 onder Pro
dBW naar het tweede en derde lid van de bepaling impliceert dat de tijdige inzending ter registratie een bestaansvoorwaarde is; niet (tijdig) inzenden heeft tot gevolg dat het regime van art. 7:396 BW Pro helemaal niet tot gelding komt en de overeenkomst als een reguliere pacht moet worden aangemerkt. [29]
klacht II Awordt geklaagd dat het hof niet kenbaar is ingegaan op het beroep van Verpachter op misbruik van bevoegdheid. Dit beroep zou volgen uit het door haar ingenomen standpunt dat Pachter zich uitsluitend op het registratievereiste beroept om onder de (betaling van de) overeengekomen pachtsom uit te komen, terwijl het registratievereiste niet met dat doel in de wet is opgenomen.
Primair: er is sprake van teeltpacht’ [31] – inderdaad aangevoerd dat Pachter zich uitsluitend op het registratievereiste beroept om onder de overeengekomen pachtsom uit te komen, terwijl het registratievereiste niet met dit doel in de wet is opgenomen [32] . Verpachter verbindt daar echter geen consequentie aan. Nu dit is aangevoerd in het kader van het betoog dat ondanks het registratievereiste sprake is van een teeltpachtovereenkomst, is het niet onbegrijpelijk dat het hof dit niet aldus heeft begrepen dat Verpachter hiermee betoogt dat de pachtbeschermingsbepalingen buiten toepassing gelaten moet worden wegens misbruik van bevoegdheid. De klacht faalt.
klacht II B.1wordt erover geklaagd dat het hof bij de beoordeling van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten onrechte geen kenbaar belang heeft toegekend aan het door Verpachter ontwikkelde gezichtspunt omtrent aard en strekking van het registratievereiste (verwezen wordt naar memorie van antwoord nr. 47-53), te weten dat het registratievereiste niet (primair) het belang van de pachter beoogt te beschermen (en zeker niet bedoeld is als een middel om de overeengekomen pachtsom te ontlopen).
klacht II B.2wordt hieraan toegevoegd dat het hof onvoldoende recht doet aan de inhoud, aard en strekking van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, door te overwegen dat Verpachter in dit verband enkel heeft aangevoerd ‘dat [Pachter] willens en wetens heeft ingestemd met de eenjarige pacht voor een hoge pachtsom’ (verwezen wordt naar memorie van antwoord nr. 13, 15 en 44).
het registratievereistenaar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verpachter heeft weliswaar een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, maar dit hield in dat het beroep op
reguliere pacht(c.q. de dwingendrechtelijke pachtbeschermingsbepalingen) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [33] Het hof heeft dit beroep ook zo begrepen. [34] De klachten falen reeds om die reden.
dus: met het oogmerk de in art. 70f lid 5 (aanhef) genoemde bepalingen uit te sluiten’.
aPw) dat in de overeenkomst is bepaald dat de in art. 70f lid 1 aanhef genoemde bepalingen niet van toepassing zijn. Ook in art. 70f lid 5 onder
aPw is voor de eenmalige pacht een soortgelijke bepaling opgenomen, echter de bepalingen die volgens art. 70f lid 5 aanhef Pw niet van toepassing zijn komen niet geheel overeen met die genoemd in art. 70f lid 1 Pw betreffende teeltpacht. Dat uit de overeenkomst voldoende duidelijk volgt dat partijen een teeltpachtovereenkomst voor ogen stond, betekent dus niet dat partijen ook eenmalige pacht voor ogen stond. Uit de parlementaire geschiedenis volgt overigens ook dat de beide vormen van pacht niet in elkaar kunnen overlopen. [35] Het hof hoefde op de stelling van Verpachter dan ook niet afzonderlijk in te gaan.
bPw dat de overeenkomst moet zijn aangegaan voor een
langereduur dan één jaar.