Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
voorlopigde sociale verzekeringswetgeving van één van deze lidstaten wordt toegepast. Indien in twee of meer lidstaten werkzaamheden worden verricht, wordt de sociale verzekeringswetgeving van de lidstaat, waar het eerst om toepassing van de wetgeving is verzocht, toegepast. In het onderhavige geval heeft belanghebbende door het aanvragen van een E101-verklaring, dan wel heeft de werkgever in onderhavige jaren in Luxemburg verzocht om toepassing sociale verzekeringswetgeving van Luxemburg voordat de belastingaanslagen zijn opgelegd. Dat zou eveneens kunnen nopen tot de conclusie, dat Nederland –
voorlopig– geen premie volksverzekeringen mag heffen totdat de desbetreffende lidstaten zijn overeengekomen dat belanghebbende verzekerd en dus premieplichtig is in Nederland en niet in Luxemburg.
voorlopigkarakter heeft als bedoeld in artikel 16, lid 2 van de toepassingsverordening;
voorlopigde sociale verzekeringswetgeving van Luxemburg dient te worden toegepast omdat aldaar het eerst om toepassing van de sociale verzekeringswetgeving is verzocht (zie onder 4.31).
nietaan de Hoge Raad voor te leggen of om dat
wélte doen, in welk laatste geval de kans bestaat dat deze door de Hoge Raad niet-ontvankelijk worden verklaard, kiest het Hof er op grond van het navolgende voor om dat
wélte doen.
5.Beslissing
houdtiedere verdere beslissing aan en
schorsthet geding totdat de Hoge Raad naar aanleiding van vorenstaande vragen uitspraak heeft gedaan.