Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Trb. 1981, 165 (hierna: het Beslagverdrag) was de Marokkaanse rechter binnen wiens rechtsgebied het scheepsbeslag gelegd was, bevoegd om dit beslag tegen het stellen van zekerheid op te heffen. Diezelfde rechter is dan bevoegd om teruggave van de zekerheidstelling te gelasten. Dat het daarbij om een exclusieve bevoegdheid gaat, staat, anders dan V Marine meent, niet in het Beslagverdrag, doch behoeft hier geen nadere beschouwing, omdat Dexhon c.s. nu eenmaal geen teruggave van de zekerheidstelling vordert, maar, in de hoofdzaak, onvoorwaardelijke medewerking van V Marine om de Marokkaanse rechter in staat te stellen die teruggave te gelasten en, in dit incident, een bevel van V Marine om – tegen het doen stellen door Dexhon c.s. van een garantie volgens het Rotterdams Garantieformulier door de P&I Club – te doen wat nodig is om het bij de rechtbank in Marokko gestorte depot vrij te doen stellen of terug te betalen aan de reder of diens vertegenwoordigers. Ten aanzien van die, minder verstrekkende, incidentele vordering bevat de tekst van het Beslagverdrag evenmin een exclusieve bevoegdheidsregel ten gunste van in dit geval de Marokkaanse beslagrechter, terwijl een uitleg van het verdrag – overeenkomstig de regels van het Verdragenverdrag van Wenen, 23 mei 1969,
Trb. 1985, 79 (i.h.b. art. 31 en Pro 32) – niet tot de conclusie leidt dat die er wel in besloten ligt. Voor een vordering tot medewerking als hier aan de orde geldt ook niet de naar Nederlands internationaal privaatrecht aanvaarde regel dat in beginsel slechts het gerecht van het land van tenuitvoerlegging bevoegd is om kennis te nemen van een geschil over de tenuitvoerlegging van een gerechtelijke beslissing. Bovendien zou hier reden zijn voor een uitzondering, in aanmerking nemende dat V Marine, wier medewerking wordt verlangd, hier te lande is gevestigd en weliswaar (in januari 2015) in Marokko bevoegdelijk beslag heeft gelegd, maar sedertdien dat beslag niet heeft vervolgd en geen aanstalten maakt om dit alsnog te doen, waarna Dexhon c.s. uiteindelijk zelf maar voor de Nederlandse rechter een ‘negatieve verklaring voor recht procedure’ is begonnen met betrekking tot de door V Marine gepretendeerde vordering. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter om over deze ‘hoofdvordering’ te oordelen is niet in geschil. Die, aan art. 4 Brussel Pro I
bis-Vo te ontlenen, bevoegdheid kan onder deze omstandigheden ook worden aanvaard ten aanzien van het geschilpunt betreffende V Marine’s gehoudenheid om mee te werken aan het realiseren van een aanvaardbaar alternatief voor de verhaalszekerheid voor die hoofdvordering. Daarbij komt dat niet in geschil is dat een gezamenlijk, dan wel door V Marine alleen gedaan verzoek aan het Marokkaanse gerecht om vrijgave van het gestorte geldbedrag in ruil voor een garantie door de P&I Club effect zal sorteren.’
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1valt uiteen in vijf subonderdelen en is gericht tegen rov. 3 van het bestreden arrest. Het onderdeel klaagt in de kern dat het hof ten onrechte rechtsmacht heeft aangenomen ten aanzien van de incidentele (provisionele) vordering van Dexhon c.s.
subonderdeel 1.3(en in de schriftelijke toelichting) wordt bepleit dat art. 5 Beslagverdrag Pro een exclusief bevoegde rechter aanwijst voor de opheffing van het scheepsbeslag en in het verlengde daarvan voor het gelasten van vrijgave van de vervangende zekerheid. [8] Het in het incident gevorderde bevel aan V Marine om alles te doen wat nodig is om het bij de rechtbank in Marokko gestorte depot te doen vrijstellen komt materieel neer op een vordering tot opheffing van het depot. Door dit bevel te geven, wordt de door het Beslagverdrag gegeven exclusieve bevoegdheid ondergraven en kan niet meer gezegd worden dat het Beslagverdrag ‘onverlet’ wordt gelaten als bedoeld in art. 71 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis. [9]
subonderdelen 1.4 en 1.5klagen over het oordeel van het hof dat de incidentele vordering een minder verstrekkende vordering is dan de vordering tot het gelasten van teruggave van de zekerheidstelling.
Tatry-arrest ten aanzien van de uitleg van het destijds geldende art. 57 EEX Pro-Verdrag (en de eventuele samenloop tussen het EEX-Verdrag en art. 3 sub Pro 3 Beslagverdrag) beslist dat een bijzonder verdrag de toepassing van het EEX-Verdrag slechts uitsluit in de gevallen die het bijzondere verdrag regelt, en niet in de gevallen die het niet regelt. [18] Deze prejudiciële beslissing heeft haar betekenis onder de Verordening Brussel I-bis behouden, nu art. 71 Verordening Pro Brussel I-bis nagenoeg gelijkluidend is aan art. 57 EEX Pro-Verdrag. De vuistregel is dat bevoegdheidskwesties die niet in het bijzondere verdrag maar in de Verordening Brussel I-bis zijn geregeld, worden opgelost volgens de bepalingen van de verordening. [19] De vraag of het bijzondere verdrag een bevoegdheidskwestie regelt, moet worden beantwoord door (uitleg van) het desbetreffende verdrag. [20]
zelfvrijgave van het depot gelast. Het hof zou dan immers treden in de bevoegdheid van de Marokkaanse (beslag)rechter op grond van art. 5 Beslagverdrag Pro. Het hof treedt niet in die bevoegdheid wanneer hij V Marine beveelt om medewerking te verlenen aan vrijgave van het depot in Marokko. Toewijzing van de incidentele vordering tot medewerking leidt niet rechtstreeks tot vrijgave van het depot, maar slechts nadat V Marine uitvoering geeft aan de veroordeling en in Marokko bij de bevoegde (rechterlijke) instantie om vrijgave van het depot verzoekt. In zoverre is er ook geen sprake van een ‘onaanvaardbare doorkruising’ van de aan art. 5 Beslagverdrag Pro te ontlenen bevoegdheid van de Marokkaanse rechter om de teruggave van de zekerheidstelling te gelasten, zoals de subonderdelen 1.1 en 1.2 betogen. Hieraan doet niet af dat de toewijzing van de vordering uiteindelijk leidt tot hetzelfde resultaat (vrijgave van het depot), zonder dat V Marine nog verweer kan voeren bij de Marokkaanse rechter. Niet gebleken is dat V Marine daardoor in haar belangen is geschaad, nu zij verweer heeft kunnen voeren bij de Nederlandse rechter.
Subonderdeel 2.1bevat de rechtsklacht dat het hof heeft miskend dat voor toewijzing van een voorziening voor de duur van het geding in de zin van art. 223 lid 1 Rv Pro voldoende aannemelijk dient te zijn dat de toewijzing niet leidt tot onomkeerbare gevolgen. Het hof had pas tot deze conclusie kunnen komen als het zou hebben vastgesteld dat de vervanging (van het contante depot door een bankgarantie) desgevorderd wél zou kunnen worden teruggedraaid, aldus subonderdeel 2.1.
Subonderdeel 2.2richt motiveringsklachten tegen dit oordeel van het hof.