Conclusie
Montis)
Klaver)
Montis/ […], waarin uw Raad onlangs eindarrest heeft gewezen. [1] Maar in deze zaak is ook een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan dit langlopende feuilleton: na zich aanvankelijk te hebben beroepen op het Nederlandse auteursrecht en vervolgens op het Duitse auteursrecht, doet Montis in deze zaak beroep op het Franse auteursrecht.
1.Feiten
2.Procesverloop
de rechtbank). Montis vorderde, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang, (i) een verklaring voor recht dat het zonder haar toestemming aanbieden van door haar in het verkeer gebrachte exemplaren van de Charly en/of de Chaplin door Klaver is te beschouwen als inbreuk op haar auteursrecht en (ii) een stakingsgebod. Montis beriep zich tevens op haar merkrecht op het woordmerk Montis.
het hof). Montis heeft, bij akte wijziging eis, geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog:
grieven 3 en 6voert Montis aan dat de rechtbank in rechtsoverwegingen 4.2.6 en 4.2.8 ten onrechte haar beroep op de volle beschermingsduur van 70 jaar heeft ontzegd en ten onrechte deze bescherming op grond van de [Berner Conventie; BC] heeft beperkt tot 25 jaar. Met
grieven 4 en 5voert Montis aan dat de rechtbank in haar rechtsoverwegingen 4.2.6 en 4.2.7 het in de BC voorziene stelsel onjuist heeft uitgelegd en toegepast, althans dat de uitkomst van een maximum beschermingsduur van 25 jaar in strijd is met Richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (Pb L 290/9; hierna de Beschermingstermijnrichtlijn), dan wel in strijd is met het non-discriminatiebeginsel van artikel 18 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna VWEU).
3.Juridisch kader en voorgeschiedenis
De Berner Conventie (algemeen)
BC). De Berner Conventie regelt alleen internationale situaties. Zij is van toepassing als het land waarin auteursrechtelijke bescherming wordt ingeroepen, een ander land is dan het land van oorsprong van het werk. In het land van oorsprong kan geen rechtstreeks beroep op de Berner Conventie worden gedaan, maar uitsluitend op het nationale recht. [4] Het land van oorsprong is het land waar een werk voor het eerst is gepubliceerd. Het moet daarbij gaan om een land dat is aangesloten bij de Berner Unie.
lex loci protectionis).
De Berner Conventie (werken van toegepaste kunst)
ius conventoniswilden brengen, en andere landen die het aan de nationale wetgever wilden overlaten om te bepalen of werken van toegepaste kunst in aanmerking kunnen komen voor auteursrechtelijke bescherming. Werken van toegepaste kunst werden toegevoegd aan de (niet-limitatieve) opsomming van ‘werken’ in art. 2 lid 1 BC Pro, maar op grond van art. 2 lid 7 BC Pro bleven de aangesloten landen vrij om in hun nationale recht te kiezen voor modellenrechtelijke bescherming, auteursrechtelijke bescherming of een cumulatie van beiden. [7] Die vrijheid komt tot uitdrukking in de eerste volzin van art. 2 lid 7 BC Pro, waarin het volgende is bepaald:
Cumulatie van bescherming: EU-wetgeving
Hof van Justitie) over de Auteursrechtrichtlijn. [11] De zogeheten ‘werktoets’ is op grond van die rechtspraak in bepaalde mate geharmoniseerd. [12]
Cumulatie van bescherming: nationaal recht (oud)
Montis/ […] I(2009) de juistheid van dit oordeel bevestigd. [14] In die zaak is niet aan de Berner Conventie getoetst, omdat toen nog uitgangspunt was dat Nederland het land van oorsprong van de Charly was.
Montis/ […] II
eerste grondhoudt in dat het vereiste van een instandhoudingsverklaring in strijd is met het formaliteitenverbod van art. 5 lid 2 BC Pro en daarom aan Montis niet kan worden tegengeworpen. Dat betoog kon alleen slagen als de Berner Conventie ook van toepassing was, wat als gezegd een internationaal element vereist. Montis stelde zich in die zaak op het standpunt – en dat was nieuw ten opzichte van de eerdere kort gedingprocedure – dat Duitsland het land van oorsprong van de Charly is omdat deze stoel voor het eerst aan het publiek is gepresenteerd op een meubelbeurs in januari 1983 in Keulen. Zodoende beriep Montis zich op het Duitse recht om in Nederland (tegenover […] ) auteursrechtelijke bescherming af te dwingen.
arrest van 13 december 2013, [15] dat zowel een tussenarrest als een deelarrest is, heeft de Hoge Raad in de eerste plaats bevestigd dat het vereiste van een intandhoudingsverklaring onverenigbaar is met het formaliteitenverbod van art. 5 lid 2 BC Pro, [16] voor zover daardoor afbreuk wordt gedaan aan de beschermingstermijn van 25 jaar (art. 7 lid 4 BC Pro). [17] In de tweede plaats heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, indien Duitsland als het land van oorsprong van de Charly is aan te merken (dat was niet vastgesteld), [18] Montis zich op het gelijkstellingsbeginsel van art. 5 lid 1 BC Pro kan beroepen. Echter, gelet op het bepaalde in (de eerste volzin van) art. 2 lid 7 BC Pro dient het formaliteitenverbod te wijken voor een ‘andersluidende regeling in het nationale recht’ indien het gaat om werken van toegepaste kunst, zoals de Charly. Voor de periode na het verlopen van de termijn van 25 jaar (voor de Charly: op 1 januari 2008) betekent het voorgaande dat:
tweede grondwaarop Montis zich in die zaak beriep, was schending van het Unierecht, meer specifiek van het algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit (art. 18, eerste alinea, VWEU). Montis betoogde dat art. 2 lid 7 BC Pro diende te wijken voor dit Unierechtelijke discriminatieverbod, aangezien dat voorrang heeft op afwijkende bepalingen van de Berner Conventie. Montis baseerde dit betoog op de arresten van het Hof van Justitie in de zaken
Phil Collins,
Ricordien
Tod’s. [19]
derde grondwaarop Montis zich in die zaak beriep, was eveneens ontleend aan het Unierecht. Montis betoogde dat haar Nederlandse auteursrecht op de Charly, indien dat in 1993 zou zijn komen te vervallen wegens het niet-afleggen van een instandhoudingsverklaring, met ingang van 1 juli 1995 is herleefd voor de duur van 70 jaar na het sterfjaar van de maker. [20] Montis beriep zich daartoe op art. 51 lid 1 van Pro de Auteurswet (Aw), dat de omzetting vormt van art. 10 lid 2 van Pro de Beschermingstermijnrichtlijn. [21] In die richtlijn is de beschermingsduur geharmoniseerd op 70 jaar na het sterfjaar van de maker. Art. 10 lid 2 bepaalt Pro:
in Duitslandauteursrechtelijk beschermd als werken van toegepaste kunst. Hieruit leidde Montis af dat in Nederland de ‘normale’ beschermingstermijn van 70 jaar op de Charly van toepassing was
.De Hoge Raad oordeelde echter dat in feitelijke instanties niet was vastgesteld dat de Charly op 1 juli 1995 in Duitsland auteursrechtelijk was beschermd. [23]
vierde grondwaarop Montis zich in die zaak beriep, ontleende zij aan het overgangsrecht bij de intrekking van art. 21 lid 3 BTMW Pro. Met die intrekking zou de grond aan de vervallenverklaring van haar auteursrecht zijn ontvallen, met als rechtsgevolg dat het auteursrecht zou zijn herleefd. Die stelling was aanleiding voor de Hoge Raad om prejudiciële vragen te stellen aan het Benelux-Gerechtshof. Dat stelde vervolgens prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van art. 10 lid 2 van Pro de Beschermingstermijnrichtlijn.
eindarrest van 17 april 2020heeft uw Raad bepaald geen aanleiding te zien om op genoemd oordeel over het formaliteitenverbod en de gevolgen van de schending daarvan terug te komen. Het cassatieberoep van Montis werd verworpen.
Montis/Klaver
,waarin uitgangspunt was “
dat deze werken op [1 juli 1995] in geen enkele andere lidstaat werden beschermd”, [25] is Montis kennelijk op zoek gegaan naar een land waar de beide stoelen wél auteursrechtelijk beschermd zouden zijn op die datum.
Tour de Francemeestal start in een ander land, zal hierna blijken dat de Frankrijkroute van Montis toch in Duitsland begint.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Montis/ […] II.
Montis/ […] IIlijkt mij nieuw de stelling dat art. 18 VWEU Pro ook omgekeerde discriminatie van eigen onderdanen verbiedt.
Bewijsvoering Frans en Duits auteursrecht (subonderdelen 2.1.1-I - 2.1.1-VI)
subonderdeel 2.1.1-Ials uitgangspunt dat tussen partijen vast zou staan dat de Charly en de Chaplin als werken van toegepaste kunst op 1 juli 1995 “
op zichzelf genomen” naar Frans recht auteursrechtelijk waren beschermd. Montis leidt daaruit af dat het hof slechts een zuivere rechtsvraag had te beantwoorden, te weten of het Franse auteursrecht op de genoemde datum (onverkort) van toepassing was op de beide stoelen, zodat “
in elk geval” niet langer een vraag van stelplicht en bewijsrecht aan de orde was.
nieteens zijn.
the facts”, althans niet op
the facts of this case. Hij wijst slechts op “
the law”, namelijk diverse rechterlijke uitspraken over bescherming van gebruiksvoorwerpen, waaronder fauteuils. Om te beginnen noemt Maître Delile drie uit 2013 (dus achttien jaar na de peildatum van 1 juli 1995) daterende arresten van de Franse Cour de Cassation. Daarin werd bepaald dat het Franse recht als
lex loci protectionisniet alleen de uitoefening van het auteursrecht (zoals beschermingsomvang) regelt, maar alle aspecten van het auteursrecht, met inbegrip van het bestaan van bescherming. Het antwoord op de vraag of een voorwerp van toegepaste kunst op grond van de Franse auteursrechtwetgeving bescherming geniet, werd voortaan uitsluitend bepaald op basis van die wetgeving en was dus niet langer afhankelijk van auteursrechtelijke bescherming in het land van oorsprong. Daarmee werd het reciprociteitsbeginsel van de tweede volzin van art. 2 lid 7 BC Pro opzijgezet.
objectum litis. Uit die precedenten kan daarom niet worden afgeleid dat de Charly, waarvan het (veronderstelde) land van oorsprong Duitsland is, op 1 juli 1995 in Frankrijk auteursrechtelijk was beschermd. Vóór 2013 paste de Cour de Cassation wél de reciprociteit-regel van de tweede volzin van art. 2 lid 7 toe Pro.
konkomen, zegt onvoldoende over de vraag of dat concreet ook zou gelden voor de stoelen van Montis, aangezien daartoe volgens Frans recht vereist was dat zij in Duitsland, het door Montis zelf geclaimde land van oorsprong, auteursrechtelijk waren beschermd. Dat laatste is volgens mr. Prins niet aannemelijk.
subonderdelen 2.1.1-II tot en met 2.1.1-IVklagen, samengevat, dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vraag in hoeverre een werk van toegepaste kunst op 1 juli 1995 was beschermd op grond van het Duitse recht niet kan afhangen van de vraag of een partij een door de wederpartij ingebrachte opinie voldoende heeft bestreden, omdat het hof is gehouden buitenlands recht ambtshalve toe te passen. Het hof zou bovendien niet de juiste toetsingsmaatstaf naar Duits recht hebben vastgesteld.
subonderdeel 2.1.1-Vklaagt het middel dat het hof geen acht mocht slaan op de opinie van mr. Prins, omdat Klaver ermee heeft volstaan deze opinie in het geding te brengen en er naar te verwijzen, maar daar verder niets mee heeft gedaan.
zulks met het verzoek de inhoud van deze opinie als hier herhaald en ingelast te beschouwen.” In haar reactie op grief 4 baseert Klaver zich op (onder meer) de opinie van mr. Prins waar zij betoogt (onder 4.17): “
Franse rechtspraak die in concreto op 1 juli 1995 auteursrechtelijke bescherming biedt aan de Charly en/of de Chaplin bestaat niet.” Bij pleidooi heeft Montis de gelegenheid gehad om de inhoud van de opinie van mr. Prins op het punt van bescherming naar zowel het Duitse recht als het Franse recht per 1 juli 1995 te weerspreken. Van die gelegenheid heeft Montis geen gebruik gemaakt. Zij kan daarom niet het hof een verwijt maken dat het op de inhoud van de opinie van mr. Prins acht heeft geslagen. [28]
subonderdeel 2.1.1-VIklaagt het middel dat het hof buiten het debat van partijen is getreden door oordelen te geven die (mede) op basis van de opinie van mr. Prins worden onderbouwd. Om de redenen die in het vorige randnummer zijn genoemd kan Montis daarin niet worden gevolgd. De opinie van mr. Prins vormt bovendien onmiskenbaar een reactie op de opinie van Maître Delile, welke opinie volgens Montis wél onderdeel uitmaakt van het geding. Noch bij het hof noch bij Montis kon er enige onduidelijkheid over bestaan dat Klaver het oogmerk had zich op de opinie van mr. Prins te beroepen. Daar komt bij dat we hier te maken hebben met een stuk van zeven bladzijden in het Nederlands. Anders dan het geval is als bijvoorbeeld een lijvig Engelstalig document vol technische informatie wordt overgelegd, bestond er hier geen noodzaak nader toe te lichten op welke passages Klaver een beroep deed en hoe die in de context van haar betoog moesten worden geduid.
Discriminatie op grond van nationaliteit (subonderdelen 2.1.2 - 2.1.4 en 2.3)
Inleiding
Phil Collins [32] zette het Hof van Justitie een streep door Duitse wetgeving die alleen Duitse uitvoerend kunstenaars bescherming van hun naburige rechten bood tegen ongeautoriseerde opnamen van uitvoeringen, ongeacht waar ter wereld die uitvoeringen hebben plaatsgevonden en dus ook in landen die niet zijn aangesloten bij de Conventie van Rome. [33] Phil Collins, een Brits onderdaan, kon zich daarom in Duitsland niet verzetten tegen de verkoop zonder zijn toestemming van een cd waarop een door hem in de Verenigde Staten gegeven concert stond. Het Hof van Justitie oordeelde dat een nationale wettelijke regeling die uitvoerend kunstenaars uit een andere EU-lidstaat uitsluit van het door die regeling aan eigen onderdanen toegekende recht om de verhandeling te verbieden van zonder hun toestemming vervaardigde fonogrammen, wanneer het optreden in het buitenland heeft plaatsgevonden, een verschil in behandeling oplevert. Dat verschil in behandeling vormt een discriminatie op grond van nationaliteit en is niet gerechtvaardigd ook als reciprociteitsbepalingen in internationale verdragen een dergelijk verschil in behandeling toelaten.
in een andere lidstaatworden behandeld zoals eigen onderdanen van die andere lidstaat daar worden behandeld. Daarom is de toepassing van art. 18 VWEU Pro vooral van praktische belang als aan een onderaan van een lidstaat in een andere lidstaat een reciprociteitsbepaling uit de Berner Conventie (of de Conventie van Rome) wordt tegengeworpen.
Ricordi, [35] waarin beroep was gedaan op art. 7 lid 8 BC Pro over de duur van het auteursrecht: verdragslanden kunnen de beschermingsduur in hun wetgeving vergelijken met die in het land van oorsprong en bescherming weigeren als in het land van oorsprong de beschermingstermijn is verlopen. Aanleiding voor het geschil was de opvoering van ‘La Bohème’ van Puccini in Wiesbaden in 1993. De rechtverkrijgenden van deze in 1924 overleden Italiaanse operacomponist riepen in Duitsland de bescherming in van het Duitse auteursrecht (70 jaar), terwijl de Italiaanse beschermingsduur (56 jaar) op dat moment reeds was verstreken. Het Hof van Justitie verwierp het verweer dat het Land Hessen wilde ontlenen aan art. 7 lid 8 BC Pro. Het oordeelde dat het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit van art. 18 VWEU Pro eraan in de weg staat dat naar nationaal recht de beschermingsduur voor werken van een auteur die onderdaan is van een andere lidstaat, korter is dan voor werken van eigen onderdanen.
Tod’s [36] ten slotte zag op een verbodsactie van de Italiaanse maker van Tod’s schoenen tegen de verkoop in Frankrijk van schoenen die te veel op de schoenen van Tod’s zouden lijken. In die zaak was de verhouding tussen het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit en de reciprociteitsbepaling in (de tweede zin van) art. 2 lid 7 BC Pro aan de orde gesteld. Voor de beantwoording van de prejudiciële vraag had het Hof van Justitie slechts één overweging nodig. Genoemde reciprociteitsbepaling uit de Berner Conventie moest het afleggen tegen art. 18 VWEU Pro. Daarmee werden de arresten
Phil Collinsen
Ricordidoorgetrokken naar werken van toegepaste kunst.
Klachten tegen rov. 3.7.4
subonderdeel 2.3richt tegen rov. 3.7.4 van het bestreden arrest. Op die plaats verwijst het hof naar de rov. 6.4.2 en 6.4.3 van het arrest van uw Raad van 13 december 2013 in
Montis/ […] II(zie hiervoor, 3.19):
Montis/ […] II) gegeven uitleg van art. 5 lid 2 BC Pro en art. 2 lid 7 BC Pro ten onrechte geen rekening houdt met de rechtspraak van het Hof van Justitie over het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit. Volgens Montis staat deze rechtspraak niet toe dat aan auteurs die de nationaliteit hebben van een EU-lidstaat de reciprociteitsbepaling van (de tweede zin van) art. 2 lid 7 BC Pro wordt tegengeworpen, ook niet als de maker bescherming inroept in de lidstaat van zijn eigen nationaliteit. Art. 18 verbiedt Pro immers “
elke” discriminatie op grond van nationaliteit en derhalve ook discriminatie van eigen onderdanen, aldus de klacht.
Nederlandse onderdanen die hun auteursrecht niet als model hebben geregistreerd” (bedoeld zal zijn: die hun model niet hebben geregistreerd; A-G), beter af zijn dan Nederlandse onderdanen die dat wél hebben gedaan. Van een verschil in behandeling tussen twee categorieën Nederlandse onderdanen is evenwel geen sprake en ook als dat wel zo zou zijn, dan zou een dergelijk onderscheid niet onder art. 18 VWEU Pro vallen. Ten overvloede voeg ik daar aan toe dat het vereiste van de instandhoudingsverklaring op dezelfde wijze gold voor Belgische of Luxemburgse makers van werken van toegepaste kunst en overigens even goed voor makers van buiten de Benelux die door depot houder waren geworden van een Benelux modellenrecht.
Klachten tegen rov. 3.7.9
subonderdelen 2.1.2-.2.1.4richten tegen (het slot van) rov. 3.7.9 van het bestreden arrest. Daar verwerpt het hof het beroep dat Montis heeft gedaan op de aangehaalde Europese rechtspraak over art. 18 VWEU Pro, ditmaal om haar betoog te staven dat haar auteursrecht in Nederland op de voet van art. 51 lid 1 Aw Pro met ingang van 1 juli 1995 is herleefd. Dit is wel een nieuw betoog ten opzichte van
Montis/ […] II.
Stap 1is de stelling dat de Cour de Cassation in de door mr. Prins genoemde uitspraken uit 2002 en 2004 in strijd met art. 18 VWEU Pro de reciprociteit-regel van de tweede volzin van art. 2 lid 7 BC Pro heeft toegepast. Daar laat Montis als
stap 2de stelling op volgen dat het hof in het bestreden arrest had moeten uitgaan van het Franse recht
zoals dat volgens haar had moeten worden toegepast, namelijk dat art. 2 lid 7 BC Pro op grond van art. 18 VWEU Pro buiten toepassing had moeten worden gelaten voor werken van toegepaste kunst.
Stap 3in de redenering houdt in dat, nu het
Phil Collins-arrest vóór 1 juli 1995 is gewezen, de rechtstoestand zoals die volgens Montis in Frankrijk had moeten zijn op die peildatum ook daadwerkelijk gold. Uit dit een en ander leidt Montis af dat de Charly op 1 juli 1995 in Frankrijk beschermd was en, gelet op het bepaalde in art. 10 lid 2 van Pro de Beschermingstermijnrichtlijn, daarmee ook in Nederland bescherming genoot.
Montis/ […] IIhaar niet een auteursrechtelijke aanspraak heeft ontzegd op grond van de reciprociteitsbepaling in de tweede volzin van art. 2 lid 7 BC Pro, maar op grond van het bepaalde in de eerste volzin van art. 2 lid 7 BC Pro, welke bepaling los staat van de nationaliteit van de maker van een werk van toegepaste kunst. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.
Slotsom