Conclusie
1.Feitenen procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen I en IIrichten zich tegen rov. 2.6 van het bestreden arrest waarin het hof heeft overwogen dat in ieder geval is gebleken dat [verzoekster] de vorderingen van Maatschap [C] en Atradius onbetaald laat.
geen verhaal mogelijk is[onderstreping A-G]. In geval van een tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst ten gevolge van een faillissement of surseance van betaling van huurder is de garant onder meer verplicht tot betaling aan verhuurder van alle huurpenningen die huurder gedurende de lopende huurtermijn zou zijn verschuldigd indien de huurovereenkomst gewoon zou zijn voortgezet.”
Verwertungsvereinbarung') een vordering heeft verkregen op [verzoekster] van 2,5 miljoen euro zoals ook volgt uit het standpunt van [verzoekster] dat zij die vordering heeft verrekend met een tegenvordering van € 4.886.250,- die zij stelt te hebben op [A] . Met betrekking tot dat laatste verwijst [verzoekster] naar de financieringsovereenkomsten die zij heeft gesloten in haar relatie met AIH (bijlagen A10A tot en met 10E). Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit de vaststellingsovereenkomst die op 16 april 2019 is gesloten blijkt dat [verzoekster] een vordering van € 4.886.250,- op haar ter zake van financieringskosten heeft afgekocht door betaling van € 500.000,- tegen finale kwijting en dat [verzoekster] vervolgens de volledige vordering van € 4.886.250,- ten laste heeft gebracht van [A] . Tegen de achtergrond dat [A] niet betrokken was bij de financieringsovereenkomsten met AIH en dat daarmee gemoeide kosten in het verleden nimmer aan haar zijn doorbelast, had het op de weg van [verzoekster] gelegen om inzichtelijk te maken op grond waarvan zij meent dat de genoemde financieringskosten volledig ten laste van [A] moeten komen. [verzoekster] heeft hiervoor geen aannemelijke verklaring gegeven. Aldus ontbreekt een titel voor die doorbelasting. De pandakte van 12 oktober 2017 waarnaar [verzoekster] heeft verwezen, leidt niet tot een ander oordeel. Blijkens de tekst van die pandakte is tussen [verzoekster] en AIH op 1 maart 2017 een overeenkomst van geldlening gesloten op grond waarvan [verzoekster] aan AIH schuldig is een bedrag van 4 miljoen euro en is bij die overeenkomst tussen [verzoekster] en AIH overeengekomen dat [A] ten behoeve van [verzoekster] een eerste pandrecht vestigt op een aantal in die akte nader omschreven goederen. Daaruit volgt niet dat [A] aansprakelijk is voor kosten die [verzoekster] is verschuldigd aan AIH in verband met de door AIH aan [verzoekster] verstrekte financiering, ook niet wanneer hierbij rekening wordt gehouden met de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan het overeengekomene mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [verzoekster] heeft [geen] immers geen feiten en omstandigheden gesteld die de door haar voorgestane uitleg schragen. Daarbij komt dat [verzoekster] evenmin heeft kunnen uitleggen waarom zij een bedrag van ruim 4,8 miljoen euro ter zake van financieringskosten aan [A] doorbelast terwijl zij met de rechtsopvolgster van AIH is overeengekomen dat zij de claim van die omvang zelf heeft afgekocht voor een bedrag van slechts € 500.000,-. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat summierlijk is gebleken van een vordering van [A] op [verzoekster] van ongeveer € 1.896.527,50. Dit is de hierboven vooropgestelde vordering van € 2.500.000,- minus de tegenvordering van [verzoekster] van € 603.427,50 uit hoofde van de rekening-courant verhouding eind juni 2019 zoals die is gebleken uit de door de curatoren aangetroffen administratie. De grieven 1 tot en met 7 falen.”
onderdeel VIIIheeft [verzoekster] anders dan het hof in rov. 2.5 overweegt immers wel degelijk uitgelegd dat zij bevoegd is financieringskosten door te berekenen aan de werkmaatschappij.