Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Mr. I.A.H.M. Schepers, advocaat-generaal bij het ressortsparket, heeft eveneens cassatieberoep ingesteld en mr. H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket, heeft een middel van cassatie voorgesteld dat zich keert tegen de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde feit.
Naast de winkeldiefstallen was aan verdachte onder 1 ook mensenhandel ten laste gelegd. Het hof heeft haar daarvan vrijgesproken.
Het cassatieberoep van verdachte
zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 11 mei 2017 tot en met 6 november 2017 te Ede, althans in Nederland,
A) een ander of anderen, te weten [betrokkene 1] (geboren [geboortedatum] 2004) en/of [betrokkene 2] (geboren [geboortedatum] 2011) (telkens) heeft vervoerd en/of overgebracht, met het oogmerk van uitbuiting van die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] (sub 2°), terwijl die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] , de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt en/of
B) een ander of anderen, te weten die [betrokkene 1] (geboren [geboortedatum] 2004) en/of [betrokkene 2] (geboren [geboortedatum] 2011), (telkens) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4°) terwijl die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt, (lid 3 sub 2) en/of
C) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die ander of anderen, te weten [betrokkene 1] (geboren [geboortedatum] 2004) en/of [betrokkene 2] (geboren [geboortedatum] 2011) (sub 6°), terwijl die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] , de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt,
immers heeft verdachte:
(winkeldiefstal 11 mei 2017 – het Kruidvat aan de [a-straat 1] te Ede)
- die [betrokkene 2] vervoerd en/of overgebracht naar het Kruidvat aan de [a-straat] , althans het winkelgebied te Ede en/of
- aldaar een doosjes scheermesjes (ter waarde van 35 euro) uit het schap gepakt en in de handen gedrukt van die [betrokkene 2] en/of
- (vervolgens) die [betrokkene 2] daarmee de winkel uit laten rennen zonder die scheermesjes ter betaling aan te bieden
en/of
(winkeldiefstal 5 augustus 2017 – Mediamarkt aan de [b-straat 1] te Ede)
- die [betrokkene 1] vervoerd en/of overgebracht naar de Mediamarkt aan de [b-straat 1] , althans het winkelgebied te Ede en/of
- aldaar die [betrokkene 1] elektronica (een kabel) uit het schap laten pakken en/of
- die [betrokkene 1] daarmee de kassa laten passeren zonder deze elektronica ter betaling aan te bieden
en/of
(winkeldiefstal 27 augustus 2017 – Mediamarkt aan de [b-straat 1] te Ede)
- die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] vervoerd en/of overgebracht naar de Mediamarkt aan de [b-straat] , althans het winkelgebied te Ede en/of
- die [betrokkene 1] aldaar twee I-pods laten pakken vanaf de computerbalie terwijl zij, verdachte zich ophield in het gangpad naast die computerbalie en/of
- die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] die twee I-pods in het tasje van die [betrokkene 2] liet(en) stoppen en/of daarmee de kassa lieten passeren zonder deze ipods ter betaling aan te bieden;
en/of
(winkeldiefstal 6 november 2017 – Albert Heijn aan de [c-straat 1] te Ede)
- die [betrokkene 1] vervoerd en/of overgebracht naar de Albert Heijn aan de [c-straat 1] , althans het winkelgebied te Ede en/of
- aldaar die [betrokkene 1] , haar, verdachtes boodschappentas, laten vullen met levensmiddelen (ter waarde van 83,81 euro) en/of
- zich samen met die [betrokkene 1] naar de kassa begeven en/of die gevulde boodschappentas overgedragen aan die [betrokkene 1] zonder deze levensmiddelen bij de kassa ter betaling aan te bieden;
- bij bovengenoemde diefstallen misbruik gemaakt van de vertrouwens- en gezagsrelatie ten opzichte van die [betrokkene 2] en/of [betrokkene 1] en/of
- misbruik gemaakt van de volgzaamheid en/of meegaandheid van die [betrokkene 2] en/of [betrokkene 1] en/of
- die [betrokkene 2] en/of [betrokkene 1] binnen de afhankelijkheidsrelatie van oma en kleinkind respectievelijk moeder en kind op een dwingende en/of indringende en/of sturende wijze verbale en/of non-verbale instructies gegeven gericht op het ontvreemden van goederen en/of aldus aangezet en/of gedwongen tot diefstal, door bijvoorbeeld die [betrokkene 2] naar het rek te duwen waarin de scheermesjes lagen;
- terwijl verdachte de ouder en/of grootouder en/of verzorger en/of begeleider is van die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] ;”
(…)
Ten aanzien van de verdachte onder 1 tenlastegelegde mensenhandel dient onder meer te worden bewezen dat sprake is geweest van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 4 en sub 6 Sr) en dat verdachte het oogmerk heeft gehad op uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 2 Sr).
Ten aanzien van de vraag wanneer er sprake is van een uitbuitingssituatie in gevallen waarin kinderen worden gebruikt om (winkel)diefstallen te plegen heeft dit hof in een soortgelijke zaak overwogen dat het eenmalig inzetten van kinderen voor het plegen van winkeldiefstallen (waarbij geen sprake is van het gebruik van dwangmiddelen) onvoldoende is om te kunnen spreken van een uitbuitingssituatie. Pas in gevallen waarbij kinderen vaker/stelselmatig worden ingezet voor het plegen van winkeldiefstallen kan uitbuiting bewezen worden. In dat geval kan immers gesteld worden dat financieel van de kinderen wordt geprofiteerd ten koste van die kinderen in die zin dat dan (eerder dan wanneer het gaat om een enkel incident) gesproken kan worden van pedagogische verwaarlozing. (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1971).
Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is het hof met de rechtbank en de verdediging van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft uitgebuit dan wel ten opzichte van hen heeft gehandeld met het oogmerk van uitbuiting. Niet is gebleken dat verdachte de kinderen (bijvoorbeeld door te dreigen met geweld) onder druk heeft gezet om de winkeldiefstallen te plegen terwijl van andere noemenswaardige beperkingen voor de kinderen uit het dossier evenmin is gebleken. Nu het hof evenals de rechtbank slechts bewezen acht dat verdachte twee winkeldiefstallen heeft begaan, waarvan één met [betrokkene 1] en een ander door [betrokkene 2] , is het hof van oordeel dat op basis hiervan niet gesproken kan worden van de uitbuiting van [betrokkene 1] en/of de uitbuiting van [betrokkene 2] . Ten aanzien van het niet kunnen bewijzen van het oogmerk van uitbuiting geldt dat niet uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte van plan was haar kinderen vaker te laten stelen en/of dat zij de kinderen al eerder had laten stelen. Bovendien is uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen niet gebleken dat verdachte voordeel heeft getrokken uit de gedragingen van [betrokkene 1] en/of van [betrokkene 2] .
Het vorenstaande betekent dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde.”
minderjarigen. Er zijn bovendien geen specifieke criteria geformuleerd voor uitbuiting
in de criminaliteit. Aanvullend is het principe van non-punishment van belang, wat inhoudt dat slachtoffers van mensenhandel niet worden bestraft voor delicten die ze binnen de uitbuitingssituatie hebben gepleegd”. [22]
- Rechtbank Midden-Nederland 9 juli 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2679: Verdachte is met zijn kleindochter naar de AH gereden en ze zijn daar na elkaar binnengelopen. De kleindochter heeft een trolley bij zich. Verdachte loopt een paar keer bij haar weg en komt dan weer terug, terwijl de kleindochter boodschappen pakt en die – eenmaal op duidelijke aanwijzing van verdachte - in de trolley doet; verdachte doet ook twee zakjes in de trolley. Terwijl verdachte bij de kassa staat en de kassamedewerker afleidt, loopt de kleindochter met de trolley voorbij de kassa en loopt naar buiten. Vervolgens loopt verdachte rustig naar de uitgang. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het inzetten door verdachte van zijn kleindochter voor het plegen van winkeldiefstal onder de specifieke omstandigheden van het geval kan worden beschouwd als mensenhandel in de zin van art. 273f lid 1 sub 2, 4 en 6 Sr. De rechtbank is van oordeel dat verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of van de kwetsbare positie van zijn 10-jarige kleindochter, door deze kleindochter in te zetten voor een winkeldiefstal, en dat verdachte daar voordeel uit heeft getrokken. Het feit dat alleen deze diefstal kan worden bewezen staat er niet aan in de weg dat verdachte in de zin van art. 273f Sr strafbaar heeft gehandeld. De rechtbank overweegt dat in art. 273f Sr immers niet de eis wordt gesteld dat de uitbuiting gedurende een lange periode (meer dan één dag) moet hebben (voort)geduurd. Wel kan de duur van het geconstateerde misbruik een omstandigheid zijn bij de beantwoording van de vraag of sprake is van uitbuiting (onder verwijzing naar HR 27 oktober 2009 ECLI:NL:HR:2009:BI7099). In het onderhavige geval speelt die duur, aldus de rechtbank, echter geen doorslaggevende rol, omdat het faciliteren van één enkele diefstal onder alle hiervoor geschetste omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank al meebrengt dat sprake is van uitbuiting van criminele activiteiten.
- Rechtbank Den Haag 26 augustus 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:10605: 49-jarige verdachte is veroordeeld voor het uitbuiten van twee minderjarige jongens (12 en 14 jaar, kennelijk neven van hem). De man heeft de twee jongens naar een woning gereden en liet hen daar een inbraak plegen. De jongens forceerden een raam aan de achterzijde van de woning en klommen naar binnen. De man bleef in zijn auto rondjes rijden in de buurt. Een buurtbewoner waarschuwde de politie, waarna ze alle drie werden opgepakt. Ten aanzien van de tenlastegelegde mensenhandel “stelt de rechtbank vast dat verdachte twee minderjarigen heeft vervoerd teneinde hen een woninginbraak te laten (mede)plegen, terwijl zij gezien de relevante omstandigheden van het geval ten opzichte van verdachte in een kwetsbare en afhankelijke positie verkeerden door hun familierelatie met verdachte, hun leeftijd, en hun onbekendheid met de omgeving en taal van het land waar zij voor het eerst, en nog maar kort, verbleven. Dat verdachte met zijn handelen profijt beoogde, volgt reeds uit de vaststelling dat hij als medepleger van de inbraak moet worden aangemerkt.
Deze omstandigheden brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat verdachte de jongens onder het maken van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en het maken van misbruik van hun kwetsbare positie heeft vervoerd teneinde hen een dienst te laten verrichten, waarbij verdachte het oogmerk had de jongens uit te buiten, één en ander als bedoeld in artikel 273f, lid 1 Sr.
Dit alles leidt tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide gevallen van mensenhandel die in de tenlastelegging zijn opgenomen (273f, lid 1 onder twee en vier Sr)”.
- Rechtbank Midden-Nederland 28 juli 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:5642: Verdachte heeft verschillende jonge kinderen tussen de vier en tien jaar oud ingezet bij drie diefstallen (een bij babyspeciaalzaak [A] , een bij de Hema, en een bij een Shellstation). De rechtbank stelt vast dat verdachte de kinderen heeft vervoerd of overgebracht naar de winkels met het oogmerk van uitbuiting: als verdachte met één of meer van de kinderen binnenkomt wordt er snel en effectief gehandeld. Zonder instructie halen de kinderen alarm labels van goederen, stoppen goederen in hun kleding of rugtas en lopen op het juiste moment weg met een buggy. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen kan het niet anders dan dat zij door verdachte zijn geïnstrueerd. Kinderen in de leeftijd van vier tot tien jaar verkeren verder per definitie in een kwetsbare positie; van hen kan niet verwacht worden dat zij in een situatie waarin zij in aanwezigheid van verdachte, een volwassene, vrijelijk de keuze maken over wat zij wel of niet willen (of wat wel of niet mag).
- Rechtbank Gelderland 28 september 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6045: Een Britse verdachte en haar toenmalige echtgenoot hebben hun toen 9- en 6- jarige kinderen meegenomen naar een supermarkt in Arnhem en hen daar ingezet om winkeldiefstallen te plegen. De rechtbank stelt vast dat verdachte en haar medeverdachte (de toenmalige echtgenoot) twee minderjarigen hebben vervoerd teneinde hen winkeldiefstallen te laten (mede)plegen, terwijl zij gezien de relevante omstandigheden van het geval ten opzichte van verdachte in een kwetsbare en afhankelijke positie verkeerden door het feit dat verdachte en medeverdachte hun ouders zijn, alsmede door hun jonge leeftijd (destijds 9 en 7 [23] jaar oud). Dat verdachte en medeverdachte met hun handelen voordeel beoogden en ook hebben behaald, volgt al uit de vaststelling dat zij als medepleger van de voltooide diefstallen moeten worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachte en haar medeverdachte de kinderen onder het maken van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en het maken van misbruik van hun kwetsbare positie vervoerd teneinde hen diensten te laten verrichten, waarbij verdachte en medeverdachte het oogmerk hadden de kinderen uit te buiten en uit deze uitbuiting opzettelijk voordeel hebben getrokken, één en ander als bedoeld in art. 273f, lid 1 Sr. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan alle drie de tenlastegelegde vormen van mensenhandel (273f, lid 1 onder twee, vier en zes Sr). Omdat verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van de kinderen, die immers van haar afhankelijk zijn, en hen zo heeft aangezet tot diefstallen om er zelf van te profiteren wordt dit naast als diefstal ook aangemerkt als ‘mensenhandel’. Het handelen van de vrouw is een ernstig misdrijf, gericht tegen de integriteit van haar kinderen. Zij zijn door hun moeder ingezet om de diefstallen te plegen en hen wordt daarmee geleerd om te stelen. De vrouw is voorbij gegaan aan de belangen van haar kinderen. Door de kinderen op jonge leeftijd het stelen te leren heeft zij hun levens mogelijk blijvend getekend en hun normen bijgebracht die hun kansen op een goede positie in de maatschappij nu al schaden.
- Verdachte (de moeder) is in hoger beroep gegaan: Hof Arnhem-Leeuwarden 28 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1971. Het hof heeft in hoger beroep verdachte vrijgesproken van mensenhandel. Het hof acht, alles afwegend, niet bewezen dat verdachte en haar medeverdachte de kinderen hebben uitgebuit dan wel ten opzichte van hen hebben gehandeld met het oogmerk van uitbuiting. Het hof stelt voorop: “Ten aanzien van hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd dient onder meer te worden bewezen dat sprake is geweest van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 4 en sub 6 Sr) en dat verdachte het oogmerk heeft gehad op uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 2 Sr).
De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepalingen, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd (zie onder meer Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099). Hierbij geldt in geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is (vgl. Hoge Raad 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309)”. Het hof is weliswaar van oordeel dat verdachte en medeverdachte misbruik hebben gemaakt van hun uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op hun kinderen, maar het acht niet bewezen dat verdachte en haar medeverdachte de kinderen hebben uitgebuit dan wel ten opzichte van hen hebben gehandeld met het oogmerk van uitbuiting. Het hof overwoog daartoe: “Hoewel het dossier wel enkele indicaties daartoe bevat, heeft het hof niet ondubbelzinnig kunnen vaststellen dat sprake is geweest van het meer dan eenmalig inzetten van de kinderen voor het plegen van winkeldiefstallen, terwijl van noemenswaardige beperkingen voor hun kinderen uit het dossier evenmin is gebleken (afgezien van het in pedagogisch opzicht uiterst laakbare karakter van het inzetten van de kinderen voor het plegen van winkeldiefstallen). Niet is gebleken dat verdachte en haar man hun kinderen (bijvoorbeeld door te dreigen met geweld) onder druk hebben gezet om de winkeldiefstallen te plegen. Op grond van wat er uit het dossier blijkt, lijkt het eerder zo te zijn dat de kinderen het als een soort spel zagen. In geval was gebleken dat de ouders de kinderen vaker/stelselmatig hadden ingezet voor het plegen van winkeldiefstallen, had overigens uitbuiting wel bewezen kunnen worden, zelfs als de kinderen het leuk hadden gevonden om aan die diefstallen mee te doen. In dat geval kan immers gesteld worden dat de ouders financieel van de kinderen hebben geprofiteerd ten koste van die kinderen in die zin dat dan (eerder dan wanneer het gaat om een enkel incident) gesproken kan worden van pedagogische verwaarlozing”. Het OM had op 6 maart 2018 beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest, maar heeft dit cassatieberoep op 19 september 2018 ingetrokken. Het hof verwijst in de onderhavige zaak in zijn arrest overigens naar deze uitspraak waar het overweegt dat pas in gevallen waarbij kinderen vaker/stelselmatig worden ingezet voor het plegen van winkeldiefstallen uitbuiting kan worden bewezenverklaard.
- Rechtbank Gelderland 21 december 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8040: de medeverdachte/toenmalige echtgenoot van de verdachte uit ECLI:NL:RBGEL:2015:6045 heeft zich naar het oordeel van de rechtbank eveneens schuldig gemaakt aan alle drie de tenlastegelegde vormen van mensenhandel (273f, lid 1 onder twee, vier en zes Sr). Omdat ook deze verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van de kinderen, die immers van hem afhankelijk zijn, en hen zo heeft aangezet tot de diefstallen om er zelf van te profiteren wordt dit naast als diefstal ook aangemerkt als ‘mensenhandel’. Deze verdachte is kennelijk niet in hoger beroep gegaan. In ieder geval is de uitspraak in appel dan niet gepubliceerd.
- Rechtbank Den Haag 30 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:7262: De 35-jarige verdachte heeft drie kinderen – waaronder twee van haar dochters – meermalen geld laten ophalen voor niet bestaande sponsorlopen. De rechtbank stelt vast dat verdachte de kinderen doelbewust heeft aangezet tot het plegen van een strafbaar feit om er zelf financieel beter van te worden. Zij heeft van haar overwicht respectievelijk de kwetsbare positie van de kinderen misbruik gemaakt door hen geld te laten ophalen voor een niet bestaande sponsorloop. In deze omstandigheid hadden de kinderen redelijkerwijs geen andere keus dan deze uitbuiting te ondergaan en zich daarvoor beschikbaar te stellen. De kinderen moesten (een deel van) het geld afstaan aan verdachte, zodat zij eten en benzine kon kopen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte de kinderen heeft geworven en vervoerd met het oogmerk van uitbuiting, dat zij van haar overwicht en de kwetsbare positie van de kinderen misbruik heeft gemaakt waardoor de kinderen werden bewogen zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid of een dienst, en dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting.
- Rechtbank Amsterdam 28 september 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6931: Deze zaak betreft een onderzoek naar mensenhandel op Europees niveau. Binnen een gezinsverband uitbuiting van minderjarigen door hen te laten zakkenrollen en diefstallen te laten plegen in diverse Europese landen. Verdachte heeft, samen met anderen, in Nederland, Spanje, Duitsland, Oostenrijk en België [persoon 4] , [persoon 8] en [persoon 2] vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van hun uitbuiting. [persoon 8] en [persoon 2] waren in de tenlastegelegde periode nog minderjarig. [persoon 4] is op [geboortedag ] 2007 meerderjarig geworden. Uit het dossier blijkt van het gebruik van dwangmiddelen jegens haar: geweld, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie. Verdachte en zijn mededader(s) hadden het oogmerk van uitbuiting, het ging hen om financieel gewin. Met het oog op die uitbuiting heeft verdachte in vereniging de slachtoffers geworven ( [persoon 4] ), overgebracht, gehuisvest en opgenomen ( [persoon 4] en de andere kinderen). Verdachte heeft geweld gebruikt tegen de kinderen, hij heeft misbruik gemaakt van het uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de kinderen. Van de kinderen mocht niet worden verwacht dat zij in staat waren vrijelijk een keuze te maken over wat zij wel of niet wilden. Hen is geleerd dat stelen de normaalste zaak van de wereld is en dat er voor hen feitelijk geen andere opties waren om te overleven. De kinderen wisten niet beter dan dat zij naar hun ouders, [persoon 4] en naar haar partner, [persoon 3] , moesten luisteren. Aangenomen moet worden dat de verdachten zich zeer wel bewust waren van het overwicht dat zij hadden en daarmee de opzet hadden op het misbruik dat zij maakten. Het door misbruik aanzetten tot het plegen van zakkenrollerij of andere vormen van diefstal kan worden aangemerkt als een dienst in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr. Verdachten waren degenen die financieel beter werden van de zakkenrollerij die door de kinderen werd verricht. Verdachten hebben opzettelijk voordeel getrokken uit de feiten, zij hebben financieel geprofiteerd van de uitbuiting.
- Rechtbank Amsterdam 4 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5035: Melding Zwitserse politie dat een Iraanse geldwisseltruccer met zijn gezin (vrouw en twee kinderen van 12 resp. 3 jaar) actief was in Amsterdam. De rechtbank spreekt vrij van mensenhandel. De rechtbank stelt vast dat verdachte samen met zijn gezinsleden op 4 april 2019 binnen een tijdsbestek van een half uur wel negen verschillende gesprekken met toeristen heeft aangeknoopt met de intentie deze toeristen geld afhandig te maken. Verdachten spraken de toeristen aan, vroegen waar zij vandaan kwamen, welke valuta daar werd gebruikt en of zij het geld mochten zien. Steeds waren de kinderen daarbij aanwezig. Bij twee van de ten laste gelegde winkeldiefstallen was een van hen ook zelf degene die het goed wegnam. De rechtbank is echter van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachten het oogmerk hadden de kinderen uit te buiten. Uit de bewijsmiddelen is onvoldoende gebleken dat verdachte en de medeverdachten de kinderen doelbewust hebben ingezet met het oogmerk bij de toeristen vertrouwenwekkend over te komen en hen zo te verleiden geld uit hun portemonnee te laten zien. Bij de winkeldiefstallen blijkt ook niet dat verdachten de kinderen hiertoe hebben aangezet om voor verdachte en de medeverdachten goederen te stelen. Vandaar vrijspraak van mensenhandel.