Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
NJ2017/250 – op 27 maart 2019 door het gerechtshof Den Haag (i) ontslagen van alle rechtsvervolging voor de onder feit 1 bewezenverklaarde “poging tot doodslag” ten aanzien van [benadeelde partij] en (ii) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr, wegens feit 2 “poging tot zware mishandeling” ten aanzien van [slachtoffer] . Voorts heeft het hof beslissingen genomen met betrekking tot de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen en heeft het de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
middelbetreft (enkel) de veroordeling ter zake van feit 2 en keert zich tegen de verwerping van het beroep op extensief noodweerexces.
Ten aanzien van feit 2:
proces-verbaal van aangifted.d. 9 januari 2012 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17F0 2012209065-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
[slachtoffer]:
geschrift, zijnde een FARR-verklaring. d.d. 3 februari 2012, opgemaakt en ondertekend door de forensisch arts L.C. Los. Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
proces-verbaal van bevindingend.d. 6 januari 2012, inhoudende een door de verdachte tegenover de officier van justitie afgelegde verklaring. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
verklaring van verdachteter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 september 2015 - zakelijk weergegeven-:
uitrenden. Dit dient gelezen te worden als: toen zij de woning
verlieten.”
Strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde en strafbaarheid van de verdachte
NJ2016/316, m.nt. Rozemond heeft de Hoge Raad een samenvattend overzicht gegeven van mogelijke aandachtspunten voor de beoordeling van een beroep op noodweer en noodweerexces. Hier van belang zijn de volgende overwegingen van de Hoge Raad (met weglating van de voetnoten):
Noodweerexces
NJ2008/510, m.nt. Borgers. In die zaak was de verdachte, terwijl hij bij zijn nieuwe vriendin sliep, door de ex-vriend van zijn vriendin aangevallen. Tussen de verdachte en het slachtoffer was in de slaapkamer een worsteling ontstaan. Het gevecht verplaatste zich naar de overloop. Daar viel het slachtoffer op de een of andere manier van de trap. De verdachte ging de trap af. Het slachtoffer probeerde overeind te komen, maar de verdachte sloeg en schopte het slachtoffer tegen het hoofd en het lichaam, ook toen het slachtoffer op de grond lag. De verdachte vroeg aan het slachtoffer wat hij met de computer en de telefoon had gedaan. Op enig moment hield de verdachte op met slaan en schoppen. Na enige tijd sleepte hij het slachtoffer naar buiten en legde hem neer op een grasveldje voor de woning van zijn vriendin. De Hoge Raad overwoog, voor zover voor beoordeling van het middel van belang, als volgt:
NJ2020/262, m.nt. Jörg, in welke zaak (het betrof een slepende familietwist) de verdachte een ander met een mes in de rug had gestoken en het hof het beroep op noodweerexces had verworpen op de grond dat de verdachte bewust was geweest van zijn handelen en bewust had gestoken. In zijn noot onder dat arrest van 4 februari 2020 schrijft Jörg treffend dat het hof daarmee het domein van de concrete feiten had verlaten en een nieuwe subregel voor noodweerexces had geformuleerd, te weten dat (volgens het hof) bewust handelen eraan in de weg staat om een hevige gemoedsbeweging te kunnen aannemen. De Hoge Raad vond dit te ver gaan en casseerde de uitspraak van het hof: