Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdelen 1 tot en met 3keren zich tegen de verwerping van het beroep op onvoorziene omstandigheden in rov. 3.13.
Onderdeel 4keert zich tegen het oordeel in rov. 3.2 en verder dat [eiseres] zich in hoger beroep niet langer op het standpunt stelt dat zij niet op de hoogte was van het feit dat de renteopslag niet onder de renteswaps zou worden vergoed, tegen de verwerping van het beroep op zorgplichtschending in rov. 3.14 en tegen rov. 4.1 waarin het hof concludeert dat de grief van [eiseres] faalt.
subonderdeel 1.1is het hof in rov. 3.13, derde volzin, buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden omdat SNS niet het verweer heeft gevoerd dat de toekomstige Euribor-stand en de manier waarop deze zou worden vastgesteld voor [eiseres] bij het aangaan van de overeenkomsten irrelevant waren, of dat [eiseres] in dat verband onvoldoende zou hebben gesteld.
subonderdeel 1.2is rechtens onjuist en voorts onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.13, derde volzin, en rov. 3.12, eerste volzin, beoordeelt of de toekomstige stand van, en de manier van vaststellen van, Euribor voor [eiseres] relevant waren, omdat artikel 6:258 BW Pro niet als vereiste stelt dat de omstandigheden die kwalificeren als onvoorziene omstandigheden voor een partij bij het aangaan van de overeenkomst relevant waren.
de eerste klacht van subonderdeel 1.3is het hof niet ingegaan op drie essentiële stellingen van [eiseres] :
marktgraadmeter, verworpen met de overweging dat in het licht van de intentie van [eiseres] om de rente te fixeren [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat voor haar bij het aangaan van de renteswapovereenkomst de (toekomstige) stand van Euribor en de manier waarop deze zou worden vastgesteld relevant waren. In het licht van deze overweging behoefde het hof niet afzonderlijk in te gaan op stelling (ii), omdat deze stelling ook erop berust dat Euribor niet meer functioneert als marktgraadmeter (zie de memorie van grieven onder 67).
de tweede klacht van subonderdeel 1.3betoogt, is het oordeel in rov. 3.13, derde volzin, niet onbegrijpelijk in het licht van de voorlaatste en laatste volzin van rov. 3.12. Deze overwegingen behoefden het hof niet te weerhouden van zijn oordeel over hetgeen [eiseres] bij het aangaan van de renteswaps wel of niet relevant achtte.
subonderdeel 1.4is het oordeel in rov. 3.13, derde volzin, zonder nadere (ontbrekende) motivering onbegrijpelijk in het licht van de in het subonderdeel bedoelde overwegingen van het hof en stellingen van [eiseres] . Voor zover deze stellingen in eerste aanleg zijn aangevoerd en het hof ze niet heeft meegewogen, heeft het hof de devolutieve werking van het hoger beroep miskend, aldus het subonderdeel.
rentebedragen heeft betaald dan op voorhand was voorzien. Het hof doelt hiermee niet op de onder de renteswaps door [eiseres] te betalen vaste rente, maar kennelijk op het gegeven dat het met de constructie beoogde doel om “feitelijk een vaste rente op de financiering te betalen” is verstoord doordat [eiseres] hogere bedragen aan Property Finance heeft betaald in verband met de door deze in rekening gebrachte extra opslagen.
niet heeft gesteld, en dat ook anderszins niet gebleken is, dat SNS zeggenschap heeft gehad in, dan wel voordeel heeft gehad bij, het in rekening brengen van de opslagverhogingen. Daarbij heeft het hof kennelijk gemeend dat het op de weg van [eiseres] had gelegen op dit punten stellingen in te nemen, omdat [eiseres] SNS in deze procedure heeft betrokken terwijl de opslagverhogingen door Property Finance werden doorgevoerd, en op [eiseres] de stelplicht rust ter zake het door haar ingeroepen rechtsgevolg (dat wil zeggen de ontbindingsvordering gebaseerd op onvoorziene omstandigheden). Anders dan het subonderdeel veronderstelt, heeft het hof dus niet een verweer gehonoreerd dat niet gevoerd is, maar geoordeeld dat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld.
eerste klachtzijn deze overwegingen onbegrijpelijk gezien de stelling van [eiseres] dat de swaps, ondanks de gang van zaken met betrekking tot de leningen met Property Finance, op zichzelf staande contracten met een andere wederpartij zijn, en voor de werking van de swaps in beginsel niet relevant is of er al dan niet leningen voor dezelfde of vergelijkbare bedragen aan de orde zijn.
tweede klachtzijn de bedoelde overwegingen onbegrijpelijk omdat door de onvoorziene omstandigheden en de als gevolg daarvan door Property Finance in rekening gebrachte opslagen, de renteswaps niet meer voldeden aan hun doelstelling.
eerste klachtbetreft de overwegingen over zeggenschap het ontbreken van schuld van SNS en miskent het hof dat ook kan worden toegerekend op grond van rechtshandeling, wet of verkeersopvattingen.
tweede klachthanteert het hof, samengevat, ten onrechte de maatstaf of in de verhouding tussen Property Finance en SNS het nadeel van de onvoorziene omstandigheden voor rekening van SNS komt, terwijl de vraag is dit in de verhouding tussen [eiseres] en SNS voor rekening van SNS komt.
ten derdeover de begrijpelijkheid van het oordeel dat het handelen van Property Finance niet aan SNS kan worden toegerekend.
eerste klachtis deze overweging onbegrijpelijk, omdat [eiseres] gesteld heeft dat Property Finance een volledige dochtervennootschap van SNS was. Daaruit volgt dat het voordeel dat Property Finance van de opslagverhogingen heeft genoten ook door SNS is genoten omdat de waarde van haar aandelen in Property Finance is vermeerderd.
tweede klachtis deze overweging onbegrijpelijk, samengevat, omdat het hof zich er geen rekenschap van heeft gegeven dat [eiseres] heeft aangevoerd dat SNS aanzienlijk voordeel heeft genoten door de onvoorziene omstandigheden inhoudend dat de koers van Euribor door het ingrijpen van de ECB (ver) onder geldmarktniveau is gebracht omdat [eiseres] door SNS kon worden afgerekend tegen het Euribor-rentetarief.
subonderdelen 2.7 en 2.8klagen over het oordeel dat het feit dat [eiseres] nu meer moet betalen dan de afgesproken vaste rente en de bij het aangaan van de leningen bepaalde vaste opslagen, wordt veroorzaakt doordat Property Finance onvoorziene opslagverhogingen in rekening is gaan brengen (rov. 3.13, vierde volzin).
subonderdeel 2.7gaat niet op. In de eerste plaats valt niet in te zien dat het hof hier, zoals de klacht stelt, oorzaak en gevolg door elkaar zou halen. Het hof is consistent in zijn redenering: het beleid van de ECB naar aanleiding van de financiële crisis had gevolgen voor de werking van het Euribor-tarief, daardoor is Property Finance opslagverhogingen in rekening gaan brengen onder de leningen en als gevolg daarvan moet [eiseres] nu meer betalen.
subonderdeel 3.2is het zinsdeel over het risico-inventarisatieformulier onbegrijpelijk, omdat daaruit, anders dan het hof kennelijk heeft gedaan, geen contra-indicatie kan worden gedestilleerd tegen de stelling van [eiseres] dat zij niet eerder renteswapovereenkomsten had gesloten gezien de in de klacht bedoelde stellingen van [eiseres] .
Subonderdeel 4.1keert zich tegen rov. 3.2, 3.3, 3.5, 3.6, 3.14 en 4.1. De
subonderdelen 4.2 en 4.3bestrijden rov. 3.14. Het hof overwoog voor zover thans van belang:
subonderdelen 4.1.2 en 4.1.6geeft, samengevat, de uitleg waartoe het hof komt blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is deze onbegrijpelijk.
subonderdeel 4.1.3veronderstelt, berusten de aangevallen overwegingen niet erop dat voor het afstand nemen van stellingen en de grondslag van de vorderingen in eerste aanleg geen uitdrukkelijke verklaring dan wel een ondubbelzinnige verklaring is vereist of dat [eiseres] haar stellingen van de eerste aanleg in hoger beroep uitdrukkelijk had dienen te handhaven. Anders dan de
subonderdelen 4.1.4 en 4.1.5veronderstellen, berusten de aangevallen overwegingen niet erop dat [eiseres] haar stellingen in eerste aanleg in hoger beroep uitdrukkelijk of ondubbelzinnig heeft prijsgegeven of daarvan afstand heeft gedaan. Anders dan
subonderdeel 4.1.7veronderstelt, heeft het hof niet geoordeeld dat [eiseres] niet heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen zijn verjaard.
subonderdelen 4.2.2 en 4.2.3falen, nu zij voortbouwen op het falende subonderdeel 4.1.
Subonderdeel 4.3.1bouwt voort op subonderdeel 4.2,
subonderdeel 4.3.2bouwt voort op subonderdeel 4.1 en
subonderdeel 4.3.4bouwt voort op de onderdelen 1 en 2. Deze subonderdelen falen in het voetspoor van de (sub)onderdelen waarop zij voortbouwen.
subonderdeel 4.3.5veronderstelt dat het hof heeft geoordeeld dat indien een vordering uit hoofde van onvoorziene omstandigheden niet kan worden toegewezen, daaruit zou voortvloeien dat ook de vordering wegens schending van de zorgplicht niet kan worden toegewezen.
subonderdeel 4.3.6is de beslissing in rov. 3.14 onbegrijpelijk.