Conclusie
advocaat: mr. Chr.F. Kroes
advocaat: mr. S.F. Sagel
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Verzoekschrift- of dagvaardingsprocedure?
Einde van de arbeidsovereenkomst’.
Victoria-beschikking (mijn onderstreping, A-G): [9]
1. (…)
lid 2BW heeft tot doel dat in ontslagprocedures bij verzoekschrift wordt geprocedeerd, in plaats van een dagvaardingsprocedure. De reden hiervoor is, zo vermeld de memorie van toelichting: [11]
De op de artikelen 672, lid 9, 673, 673a en 677 gebaseerde gedingen of gedingen gebaseerd op het bepaalde bij of krachtens de artikelen 673b en 673c worden ingeleid met een verzoekschrift.”
Artikel 686a lid 2 komt als volgt te luiden: “De gedingen die op het in, bij of krachtens deze afdeling bepaalde zijn gebaseerd, worden ingeleid door een verzoekschrift.”
Het is in lijn met het doel van de bepaling, de vereenvoudiging van het procesrecht en het voorkomen van dubbele procedures, om nog beter te voorkomen dat er dagvaardings- en verzoekschriftprocedures naast elkaar blijven bestaan in het ontslagrecht. Twijfel over dit onderwerp dient vermeden te worden. Het verdient dan ook aanbeveling om lid 2 aldus te verwoorden dat alle geschillen inzake Afdeling 7.10.9 worden ingeleid door een verzoekschrift.”
een redactionele verbetering’. [16] Vervolgens is de bepaling in zijn huidige vorm opgenomen in art. 7:686a lid 2 BW.
alle arbeidsrechtelijke proceduresmet een verzoekschrift worden ingeleid. Zo moeten bijvoorbeeld geschillen over de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst door middel van een dagvaardingsprocedure aanhangig worden gemaakt, net als geschillen over een concurrentiebeding, loondoorbetaling of de eindafrekening. Dit is alleen anders als een partij ervoor kiest deze vorderingen op grond van art. 7:686a lid 3 BW te combineren met een verzoek op grond van afdeling 7.10.9 BW of in een dergelijke procedure als tegenverzoek in te dienen.
ontbindingsvorderingendie gebaseerd zijn op art. 7:686 BW Pro in verbinding met art. 6:265 BW Pro, bij verzoekschrift kunnen worden ingesteld. [17] Dit standpunt wordt uitsluitend onderbouwd met een verwijzing naar art. 7:686a lid 2 BW. [18] Ook in de feitenrechtspraak wordt er in het algemeen vanuit gegaan dat dergelijk vorderingen bij verzoekschrift kunnen worden ingesteld. [19] De mogelijkheid om een ontbindingsvordering wegens een tekortkoming bij verzoekschrift in te stellen, zou er mogelijk aan hebben bijgedragen dat dergelijke vorderingen vaker worden ingesteld. [20]
vordering tot schadevergoeding, gebaseerd op art. 7:686 BW Pro in verbinding met art. 6:74 BW Pro (zoals in deze procedure aan de orde is), is omstreden. In de literatuur is hieraan weinig aandacht besteed. [21] In de feitenrechtspraak is niet sprake van een eenduidige lijn. [22] In een zaak van een andere werknemer tegen NN was de kantonrechter van oordeel dat de vorderingen met een dagvaardingsprocedure moesten worden ingeleid. [23] Ook de kantonrechter Rotterdam oordeelde in deze zin, in een zaak waarin een ex-werknemer van KPN schadevergoeding vorderde wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst. [24] In andere procedures tussen NN en haar voormalige werknemers is daarentegen geoordeeld dat de procedures wel bij verzoekschrift konden worden ingeleid. [25]
Einde van de arbeidsovereenkomst’). Dit sluit ook aan bij de toelichting van Van Slooten op de gewijzigde bepaling, dat
‘alle rechtszaken in verband met ontslag met een verzoekschrift worden gestart’ (zie onder 3.11). Dat een dergelijke vordering haar juridische grondslag vindt in art. 6:74 BW Pro (in samenhang met art. 7:686 BW Pro) maakt dat mijns inziens niet anders. Dat laatste geldt temeer omdat er anders een verschil zou ontstaan met vorderingen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, waar de
communis opiniois dat die bij verzoekschrift kunnen worden ingesteld (zie onder 3.14). Ook voor die vorderingen geldt echter dat zij hun juridische grondslag niet vinden in Afdeling 7.10.9 BW, maar in art. 6:265 BW Pro (in samenhang met art. 7:686 BW Pro).
4.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
onderdeel IIIheeft het hof in rov. 4.6 een onjuiste maatstaf toepast, nu het hof niet heeft beoordeeld of NN voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om te kunnen onderbouwen dat de in rov. 2.3 vermelde beweegredenen in voldoende ernstige mate van invloed waren op de bedrijfsvoering. Ook heeft het hof ten onrechte niet vastgesteld of het aannemelijk was dat de maatregel (reorganisatie en ontslag) als reactie daarop redelijkerwijs doelmatig en proportioneel was. Beide klachten gaan ervan uit dat NN het bewijsrisico draagt dat de door haar ingeroepen beweegredenen een voldragen ontslaggrond konden opleveren in de zin van art. 7:669 lid 3 onder Pro a BW.
directeaanleiding voor de reorganisatie) (mede-) redengevend was voor de reorganisatie en het ontslag van Werknemer, omdat niet gesteld of gebleken is dat de vier
anderebeweegredenen die aan de reorganisatie ten grondslag zijn gelegd zich niet hebben voorgedaan, noch dat NN op basis daarvan niet in redelijkheid tot het besluit tot opheffing/samenvoeging van de teams IM en FAS heeft kunnen komen. Volgens het onderdeel had het hof op zijn minst moeten beoordelen of NN – bij verval van ‘de directe aanleiding’ en op grond van de overgebleven beweegredenen – redelijkerwijs nog voldoende rechtvaardiging had om tot reorganiseren te besluiten zoals zij heeft gedaan, met het ontslag van Werknemer tot gevolg. Daarnaast geeft het oordeel van het hof er geen blijk van dat het de betwistingen van Werknemer van het bestaan van die (andere) beweegredenen in zijn oordeel heeft betrokken.
dieuitleg van de stellingen van Werknemer, kon het hof in het midden laten of de migratie van het grootboek redengevend was voor de reorganisatie en het ontslag van Werknemer, gegeven het feit dat NN nog vier andere redenen aan de reorganisatie ten grondslag had gelegd.