Conclusie
1.Korte schets van de feiten en het procesverloop
TARIEVEN
2.Algemeen kader franchise
ondernemerscontractenrecht. [35] De spanning tussen bescherming en contractvrijheid heeft er wel (mede) toe geleid dat de Wet franchise niet meer regelt dan strikt noodzakelijk werd geacht. Hierover is in de memorie van toelichting het volgende overwogen:
contra proferentem-regel. Hier vallen we dus terug op het algemene overeenkomstenrecht.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Action Discount Resultaataan de orde. Dat is, kort gezegd, de ‘winst’ (of het verlies) die (dat) AH behaalt doordat zij meer (of juist minder) producten met een actiekorting inkoopt, dan dat er aan consumenten tijdens de actieperiode worden verkocht (zie meer uitgebreid randnummer 3.5.1);
datvan ongelijkwaardigheid sprake is, bestaat bij een behandeling van deze klachten – vanwege de reeds veronderstelde ongelijkwaardigheid – geen belang.
subonderdeel 1.1richten VAHFR c.s. zich tegen het in rov. 3.3 besloten oordeel dat de vraag of, en zo ja in welke mate, franchiserelaties zich door ongelijkwaardigheid kenmerken, voor de beoordeling van de vraagpunten die VAHFR c.s. door hun hoger beroep aan het hof hebben voorgelegd, niet behoeft te worden beantwoord. Met die overweging heeft het hof, volgens het subonderdeel, miskend dat voor de beoordeling van de vraag hoe een franchiseovereenkomst moet worden uitgelegd van belang is (of kan zijn) dat (en in welke mate) de franchiserelatie zich door ongelijkwaardigheid kenmerkt. Aldus heeft het hof bovendien miskend dat bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval. In ieder geval heeft het hof die maatstaf ten onrechte niet toegepast, zo betoogt het subonderdeel.
Haviltex-maatstaf. [41] Kort gezegd houdt dit in dat het bij de uitleg van contractsbepalingen niet aankomt op ‘een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract’, maar op ‘de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten’. Bij toepassing van de
Haviltex-maatstaf spelen telkens alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen redelijkheid en billijkheid met zich brengen, een rol. [42] Het subonderdeel stelt dan ook niet aan de orde of het hof de juiste maatstaf heeft vooropgesteld, maar of het hof de maatstaf daadwerkelijk en op een juiste wijze heeft toegepast.
kanzijn, laat zich derhalve eenvoudig beantwoorden: ja. Alle omstandigheden kunnen immers een rol spelen, en er is geen enkele aanleiding de (on)gelijkwaardigheid tussen partijen daarvan uit te sluiten. Daarmee is echter nog niet gezegd dat de ongelijkwaardigheid in dit concrete geval een rol
had moetenspelen en is evenmin duidelijk op welke wijze zij, bij bevestigende beantwoording, had moeten meespelen.
daten
waaromdeze omstandigheid de uitkomst van de uitlegdiscussie in een bepaalde (door haar gewenste) richting duwt. [46] De rechter kan in het midden laten of een omstandigheid zich daadwerkelijk heeft voorgedaan als hij van oordeel is dat deze omstandigheid, zo zij zich zou hebben voorgedaan, de uitlegrichting toch niet (wezenlijk) zou beïnvloeden, althans daarvoor onvoldoende is gesteld.
subonderdeel 1.1faalt.
Subonderdeel 1.2is derhalve vergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 1.3kan niet tot cassatie leiden.
Subonderdeel 1.4mist doel.
Albert Heijn Franchisingheeft Uw Raad geoordeeld dat dit ten aanzien van de Erecode niet zonder meer het geval is. [51] Dat dit anders zou zijn bij de NFC, ligt – gezien de onderlinge verbondenheid van de Europese Erecode en de NFC – niet meteen voor de hand. ’s Hofs oordeel dat VAHFR c.s. onvoldoende concreet hebben toegelicht waarom en hoe de NFC op deze zaak van toepassing zou zijn, kan, in het licht van de stellingen van partijen, reeds om die reden stand houden.
Subonderdeel 1.5is derhalve vergeefs voorgesteld.
onderdeel 1niet tot cassatie leidt.
onderdeel 2, dat uiteenvalt in dertien subonderdelen, diverse klachten.
Haviltex-maatstaf miskend en te strenge eisen gesteld aan de stelplicht van VAHFR c.s., aldus het subonderdeel.
Haviltex-maatstaf is terug te voeren).
wasen niet om de vraag of de wederpartij op grond van aan haar gerichte verklaringen en gedragingen op die aanwezigheid mocht
vertrouwen. Voor dit laatste is natuurlijk wel vereist dat de verklaringen of gedragingen aan de wederpartij zijn gericht, of althans voor haar kenbaar waren.
kan– het komt dan aan op een waardering van de verklaringen en stellingen – het oordeel zijn dat er wel degelijk een gemeenschappelijke partijbedoeling was, ook al is deze ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet met verklaringen of gedragingen geuit. [59]
afgeleid, maar (bewijsrechtelijke) verklaringen van betrokken personen – vele jaren na het sluiten van de overeenkomsten afgelegd (2015) – die (volgens VAHFR c.s.) aantonen dat bij AHF/AH de gestelde partijbedoeling aanwezig
was. Voor het kunnen aannemen van een gemeenschappelijke partijbedoeling is, gezien het voorgaande, niet vereist dat deze partijbedoeling op enige wijze met verklaringen of gedragingen aan de franchisenemers is overgebracht en door VAHFR c.s. als zodanig moet zijn opgevat. Voldoende is immers dat vast komt te staan dat zowel de franchisenemers als AHF die partijbedoeling hadden. VAHFR c.s. hebben gesteld dat dit het geval was. Voor het aanwezig zijn van de (volgens VAHFR c.s. gemeenschappelijke) partijbedoeling bij de franchisenemers zelf was niet vereist dat zij door verklaringen/gedragingen van AHF/AH ‘op dit idee zijn gebracht’. Zij konden die bedoeling ook uit zichzelf hebben. [60] Het hof kon de stelling dat sprake was van een gemeenschappelijke partijbedoeling bij de uitleg van de FO dan ook niet afdoen met de overweging dat onvoldoende concreet is aangevoerd dat daaromtrent mededelingen en/of gedragingen vanuit AHF aan de franchisenemers zijn gedaan.
Subonderdeel 2.1is derhalve terecht voorgesteld.
subonderdeel 2.2betogen VAHFR c.s. dat onbegrijpelijk is het oordeel dat niet voldoende concreet is aangevoerd dat er voorafgaand aan of bij het sluiten van de franchiseovereenkomst mededelingen aan de franchisenemers zijn gedaan of gedragingen van AH of AHF zijn geweest met de door [betrokkene 1] en/of [betrokkene 3] bedoelde strekking. VAHFR c.s. zouden, volgens het subonderdeel, dergelijke mededelingen c.q. gedragingen wel hebben aangevoerd. Het subonderdeel behoeft bij het slagen van subonderdeel 2.1 geen behandeling wegens gebrek aan belang. Volledigheidshalve behandel ik het hierna toch.
achterafvan diverse personen die bij de samenwerking tussen partijen betrokken waren over de bedoeling van partijen, maar ontbreekt een specifieke verwijzing naar concrete verklaringen en gedragingen van AHF/AH, voorafgaand aan of ten tijde van het sluiten van de franchiseovereenkomst, in de richting van de franchisenemers. [61] De door het subonderdeel aangevallen overweging is daarom (op zichzelf) niet onbegrijpelijk, zodat
subonderdeel 2.2doel mist.
we het hebben gehad over eerlijke kostentoerekening”. Een en ander ziet niet op verklaringen en/of gedragingen van AHF/AH op grond waarvan de franchisenemers de FO hebben mogen opvatten als door VAHFR c.s. betoogd. Het bewijsaanbod van VAHFR c.s., waar het subonderdeel op ziet, [62] houdt slechts in dat [betrokkene 2] bereid is haar verklaring onder ede te bevestigen. Nu [betrokkene 2] niet heeft verklaard over concrete verklaringen en gedragingen van AHF/AH, en met het bewijsaanbod evenmin wordt aangeboden dat zij daarover alsnog kan verklaren, kon het hof dit bewijsaanbod op dit punt als niet relevant passeren. De hiertegen gerichte klacht van het subonderdeel faalt daarmee ook, zodat
subonderdeel 2.7vergeefs is voorgesteld.
Belangrijker is dat (…)”. Daaruit maak ik op dat het oordeel in rov. 3.17 niet een overweging ten overvloede is, maar (mede) dragend is voor de verwerping van de stellingen van VAHFR c.s. over de uitleg van de artikelen 7 en 20 FO. Slotsom is dat, als ook Uw Raad zou oordelen dat subonderdeel 2.1 terecht is voorgesteld, na verwijzing alsnog zal moeten worden beoordeeld of uit hetgeen door VAHFR c.s. over de bedoeling van partijen bij de FO naar voren is gebracht, de door hen bepleite uitleg volgt, dan wel of VAHFR c.s. hun stellingen afdoende hebben onderbouwd om ter zake tot (getuigen)bewijs te worden toegelaten.
subonderdelen 2.3 tot en met 2.6zien op de hiervoor (randnummer 3.2.3) al kort aangestipte overwegingen van het hof dat de stellingen van VAHFR c.s. niet door de verklaring van [betrokkene 1] (hiervoor randnummer 1.19) worden onderbouwd en dat de verklaring van [betrokkene 3] (hiervoor randnummer 1.21) op een relevant punt minder accuraat is:
alle bonussen gerelateerd aan hun deel in de totale omzet aan de ondernemers zouden toekomen middels een onverdeelde marge’’ en dat AH “
als inkomsten de fee" had. Die verklaring roept de vraag op waarom [betrokkene 1] niet toelicht dat en waarom deze pijlers nog niet voorkomen in de aan de standaardovereenkomst van 1989 voorafgaande AH-franchiseovereenkomst en waarom [betrokkene 1] evenmin over de reeds in de eerste standaardovereenkomst opgenomen drempelwaarde voor die aanspraak verklaart: het opnemen van de drempelwaarde betekent immers dat juist niet alle bonussen aan de franchisenemers toekwamen maar AH een zeer belangrijk deel daarvan behield, zodat AH ook daaruit inkomsten behaalde en niet alleen uit de fee. Bovendien blijkt daaruit dat AH als inkomsten dus niet alleen de fee had. In zoverre wordt de stelling van VAHFR c.s. dus niet door [betrokkene 1] verklaring onderbouwd.
deze pijlers nog niet voorkomen in de aan de standaardovereenkomst van 1989 voorafgaande AH-franchiseovereenkomst” doelt op het door [betrokkene 1] beschreven stelsel van pijlers (waarvan het hof er twee benoemt), aan welke vaststelling niet in de weg hoeft te staan dat de fee (of
eenfee) als zodanig al wel eerder onderdeel van de franchiseovereenkomsten was. [70] De klacht, dat het hof ten onrechte zou hebben overwogen dat de fee niet in de 1989-overeenkomst zou voorkomen, gaat dus uit van een verkeerde lezing van het arrest.
subonderdelen 2.3 en 2.4terecht zijn voorgesteld.
op een relevant punt” minder accuraat is, omdat [betrokkene 3] heeft verklaard dat in de 1989-overeenkomst de percentages van de onverdeelde marges nog duidelijk waren gekoppeld aan de consumentenomzet inclusief BTW, terwijl uit de tekst van die overeenkomst zou blijken dat daarin wordt gerept van iets anders, namelijk de “
AH-omzet”. Het subonderdeel voert hiertoe aan dat tussen partijen juist in geschil is of met de “
AH-omzet”de consumentenomzet (inclusief BTW) wordt bedoeld. Dat VAHFR c.s. in feitelijke instanties hebben betoogd dat in de verdeelsleutel voor de onverdeelde marge de consumentenomzet (inclusief BTW) gehanteerd moet worden, wordt door ‘AH c.s. als zodanig niet betwist. [75]
AH-omzet”. [77] In rov. 3.51 (hierna weergegeven in randnummer 3.6.2) heeft het hof overwogen dat artikel 7 FO Pro (ter herinnering: dat is de overeenkomst uit 2002), in het kader van de onverdeelde marge (net als de 1989-overeenkomst) rept van “
door Franchisenemer gerealiseerde Albert Heijn-omzet”, terwijl (nog steeds in de FO) in het kader van de fee de definitie “
door de Franchisenemer gerealiseerde consumentenomzet exclusief BTW” wordt gebruikt. Hieruit heeft het hof in rov. 3.51 afgeleid dat in artikel 7 FO Pro bewust van het begrip “
consumentenomzet” is afgeweken.
bewustvan het begrip “
consumentenomzet” is afgeweken, de verklaring van [betrokkene 3] ziet, als gezegd, op de 1989-overeenkomst. In die overeenkomst, in Bijlage III onder “Tarieven” (vijfde gedachtestreepje), staat dat de fee op de volgende grondslag wordt berekend:
consumentenomzet” afgeweken. Dat betekent dat het hof de accuraatheid van de verklaring van [betrokkene 3] over de 1989-overeenkomst heeft getoetst aan de (uitleg die het hof in rov. 3.51 geeft aan de) tekst van de, op dat punt afwijkende, FO (uit 2002). Dat maakt mijns inziens dat VAHFR c.s. terecht betogen dat het hof de verklaring van [betrokkene 3] (op dit punt) niet kon passeren op de enkele grond dat deze in het licht van de later opgestelde FO “
minder accuraat” was. VAHFR c.s. hebben ook aangeboden [betrokkene 3] als getuige te horen. Het had in de rede gelegen hem bij die gelegenheid te vragen hoe zijn uitleg van zowel het omzetbegrip ten aanzien van de onverdeelde marge als het omzetbegrip ten aanzien van de fee, zich verhoudt tot de later in de FO gehanteerde begrippen. Een en ander brengt met zich dat ook
subonderdeel 2.5terecht is voorgesteld.
subonderdeel 2.6zekerheidshalve een klacht gericht tegen rov. 3.16, voor zover deze rechtsoverweging zo moet worden begrepen dat het hof de verklaring van [betrokkene 3] ook minder accuraat heeft geacht op het punt van de BTW (de vraag of ten aanzien van de onverdeelde marge de omzet inclusief of exclusief BTW moet worden gehanteerd). Met ‘AH c.s. [78] meen ik dat in rov. 3.16 niet het oordeel kan worden gelezen dat het hof de verklaring van [betrokkene 3] ook op het punt van de BTW minder accuraat acht.
Subonderdeel 2.6gaat derhalve uit van een verkeerde lezing van het arrest en is dus vergeefs voorgesteld.
subonderdeel 2.8 [79] richten VAHFR c.s. klachten tegen het in rov. 3.17 (hiervoor randnummer 3.2.3) passeren van het bewijsaanbod om [betrokkene 1] en [betrokkene 3] als getuigen te horen. Het subonderdeel bouwt voort op de subonderdelen 2.1 en 2.2 en slaagt derhalve voor zover het op het slagende subonderdeel 2.1 voortbouwt (hiervoor randnummers 3.2.4-3.2.9).
subonderdeel 2.9richt zich tegen het passeren van het bewijsaanbod in rov. 3.17. Het subonderdeel voert daartoe aan, kort gezegd, dat het hof ten onrechte zou zijn vooruitgelopen op het resultaat van de bewijsvoering. Deze klacht faalt. Het hof heeft immers geoordeeld dat in het licht van het in rov. 3.17 opgenomen oordeel niet aan bewijsvoering wordt toegekomen. Daarmee heeft het hof niet op de uitkomst van de bewijsvoering vooruitgelopen.
ter zake”(dus de in rov. 3.17 bedoelde kwestie(s)) niet wordt toegekomen. Het direct daarop volgende passeren van het bewijsaanbod van VAHFR c.s. moet mijns inziens dan ook in dat licht worden begrepen, zodat daarmee (nog) niet het bewijsaanbod van VAHFR c.s. is gepasseerd voor zover dat ziet op andere punten. Slotsom is dat
subonderdeel 2.9faalt.
subonderdeel 2.10wordt betoogd dat het hof met het passeren van het bewijsaanbod in rov. 3.17 heeft miskend dat VAHFR c.s. ook diverse andere schriftelijke verklaringen in het geding hebben gebracht en/of getuigenbewijs hebben aangeboden van personen die bij de totstandkoming van de FO (in ruime zin) betrokken waren.
Voor zover hiervoor niet reeds besproken”.
Subonderdeel 2.10mist derhalve doel.
subonderdeel 2.11heeft het hof met de in de subonderdelen 2.8-2.10 genoemde oordelen miskend dat de bewijsaanbiedingen van VAHFR c.s. niet alleen betrekking hebben op de (aanvankelijke) bedoeling van partijen in de periode voorafgaand aan of bij het sluiten van de FO en/of eerdere versies daarvan, maar ook betrekking hebben op de wijze waarop vervolgens feitelijk uitvoering aan de FO en/of die eerdere versies is gegeven.
Subonderdeel 2.11loopt daar op vast.
eenstelling van VAHFR c.s. weergegeven (en vervolgens behandeld in de daarop volgende rechtsoverwegingen), maar uit deze rechtsoverweging volgt niet het oordeel dat deze stelling de enige stelling van VAHFR c.s. inzake de uitleg van de artikelen 7 en 20 FO is.
Subonderdeel 2.12faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Subonderdeel 2.13richt zich tegen deze rechtsoverweging met klachten die voortbouwen op de zojuist besproken subonderdelen. Het subonderdeel slaagt derhalve gedeeltelijk, voor zover het voortbouwt op de slagende subonderdelen van onderdeel 2 (zie de slotsom hierna).
onderdeel 2vergeefs zijn voorgesteld.
assurance” geeft zoals een accountantsverklaring dat wel doet, heeft het hof (onder meer) overwogen dat VAHFR c.s. hiermee bekend waren en toch met de wijziging van artikel 20 hebben Pro ingestemd (rov. 3.38). Een en ander heeft geleid tot de volgende slotsom ten aanzien van de accountantsonderzoeken en het normenkader:
Haviltex-maatstaf. [80] Het subonderdeel veronderstelt terecht dat deze omstandigheid door de rechter moet worden afgewogen tegen de overige relevante omstandigheden van het geval. Hoe die weging uitpakt, is echter aan de feitenrechter. [81] Daarbij geldt dat weliswaar alle omstandigheden bij uitleg van belang zouden kunnen zijn, maar dat in het concrete geval niet altijd hoeven te zijn (hiervoor randnummer 3.1.10).
Subonderdeel 3.1faalt derhalve in zoverre.
uitleg belastprijs
door haar aan haar eigen filialen in rekening te brengen belastprijzen” in rekening te brengen. Bijlage III onder V bij de FO verduidelijkt de term “(door)belastingsprijzen” door daaraan toe te voegen “
zijnde de inkoopprijs van het artikel vermeerderd met alle direct toerekenbare kosten, te vermeerderen BTW”.
Prijsverschillen ontstaan omdat de kostprijzen in de artikeldatabase (NASA) niet juist zijn, waardoor ook de facturatie niet juist is. Met de verrekening wordt dit gecorrigeerd.” Het hof leidt daaruit af dat daarmee wordt gedoeld op daadwerkelijke fouten in de artikeldatabase. De verrekening daarvan doet aan de hiervoor gegeven uitleg van de belastprijs niet af.”
subonderdeel 4.1vergeefs is voorgesteld. Hetzelfde geldt voor de subonderdelen 4.6 tot en met 4.9 voor zover deze eveneens betogen dat het hof heeft miskend dat bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst alle omstandigheden van het geval beslissend zijn.
subonderdelen 4.3-4.9 en 4.15-4.17bestrijden de hiervoor geciteerde rechtsoverwegingen (ook [83] ) met diverse motiveringsklachten. Vanwege hun onderlinge verbondenheid lenen de subonderdelen zich voor gezamenlijke behandeling.
ook gezien het hier toepasselijke normenkader” dat “
van meet af aan” uitsluitend is getoetst of de door AHF aan franchisenemers in rekening gebrachte prijs gelijk was aan de prijs die door AH aan de eigen filialen in rekening was gebracht. De rapporten bevatten geen enkele aanwijzing dat het daarnaast relevant werd gevonden of die aldus getoetste prijs ook exact de inkoopprijs was die AH aan de leverancier betaalde, laat staan dat daar onderzoek naar werd verricht;
afwijkingvan de afspraak dat de filialen en de franchisenemers de inkoopprijs (plus distributiekosten) betalen, het is alleen niet
gecontroleerd.
pacta sunt servanda) dat dit de inkoopprijs (plus distributiekosten) is. Dat staat immers letterlijk in Bijlage III onder V bij de FO.
subonderdelen 4.3 tot en met 4.9 en 4.15 tot en met 4.17terecht zijn voorgesteld.
subonderdeel 3.1(voor zover niet reeds behandeld) tezamen met onderdeel 4 te behandelen. In het spoor van het voorgaande is evenzeer onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, het door subonderdeel 3.1 bestreden oordeel in rov. 3.39 dat partijen er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de wederpartij met de (door de accountants) gehanteerde uitleg instemde, zodat ook dit subonderdeel slaagt.
subonderdelen 3.2 en 3.3behoeven bij deze stand van zaken geen bespreking. Zij richten zich immers tegen de overweging in rov. 3.39 dat bij het oordeel dat partijen erop mochten vertrouwen dat de wederpartij met de door de accountants gehanteerde uitleg instemde, niet van belang is dat tussen de vaststelling van het eerste en het laatste normenkader slechts een tijdspanne van 1,5 jaar is gelegen. De subonderdelen vallen daarmee de begrijpelijkheid aan van de door het hof toegepaste weging van omstandigheden. Het oordeel (dat partijen erop mochten vertrouwen dat de wederpartij met de gehanteerde uitleg instemde) is echter mijns inziens dus al op zichzelf onbegrijpelijk (om de reden genoemd in randnummer 3.4.19 hiervoor), ongeacht welke weging het hof daarbij aan bedoelde tijdspanne heeft gegeven.
subonderdeel 4.2nog behandeling, nu dat voortbouwt op de subonderdelen 3.1-3.3. De klacht slaagt voor zover deze voortbouwt op het slagende deel van onderdeel 3.1.
subonderdelen 4.12 en 4.13, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, betogen dat de hiervoor in randnummer 3.4.7 genoemde kernoordelen (eveneens) onbegrijpelijk zijn in het licht van de stellingen van ‘AH c.s. in de procedure. Aldus zou het hof ook hebben geoordeeld in strijd met art. 24 Rv Pro en/of art. 149 Rv Pro. De subonderdelen betogen, kort gezegd, dat de gedingstukken geen andere conclusie toelaten dan dat ‘AH c.s. niet het standpunt hebben ingenomen dat aan de inkoopprijs die AH aan de leverancier heeft betaald geen betekenis toekomt. ‘AH c.s. zouden er in de gedingstukken steeds vanuit zijn gegaan dat AH/AHF aan de franchisenemers de betaalde inkoopprijs (plus distributiekosten) in rekening brengt. ‘AH c.s. zouden slechts hebben betoogd dat het inkoopprijs-element van de belastprijs kan afwijken van de feitelijk aan de leverancier betaalde prijs voor zover dit komt doordat de belastprijs wordt vastgesteld aan de hand van de inkoopprijs die geldt op het moment dat het product bij aankoop door een consument aan de kassa wordt gescand.
subonderdelen 4.12 en 4.13missen doel.
Subonderdeel 4.14is vergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 4.19kan niet tot cassatie leiden.
subonderdelen 4.20 en 4.21richten zich tegen de overweging aan het slot van rov. 3.42, dat voor de uitleg van de term belastprijs buiten beschouwing kan blijven het feit dat de voor franchisenemers en eigen filialen gehanteerde inkoopprijs kan afwijken van de inkoopprijs die daadwerkelijk door AH aan de leverancier is betaald. Hierbij heeft het hof, gezien de daaraan voorafgaande zinnen, gedoeld op het feit dat volgens de huidige systematiek, de inkoopprijs wordt gehanteerd die geldt op het moment van het scannen van het product bij de kassa (dus bij verkoop aan de klant). Subonderdeel 4.20 betoogt dat niet duidelijk is wat het hof hiermee bedoelt en wat de toegevoegde waarde is.
In het bijzonder”) heeft het hof een uitwerking gegeven van de gevolgen van het oordeel dat aan de inkoopprijs die AH aan de leverancier heeft betaald, geen betekenis toekomt in het kader van de vraag naar aanspraken van VAHFR c.s. Onbegrijpelijk is dit niet. Enige toegevoegde waarde kan mijns inziens aan de overweging toch niet worden ontzegd, noch daargelaten de vraag of een arrest zou moeten worden vernietigd op de grond dat het een passage bevat die geen toegevoegde waarde heeft.
Subonderdeel 4.20mist doel.
Subonderdeel 4.21gaat derhalve uit van een onjuiste lezing van het arrest en faalt.
prijsverschillen”) waarin (onder meer) posten worden verrekend die ten onrechte niet in de belastprijs waren opgenomen, en heeft onderzocht of deze constatering afdoet aan het oordeel dat voor de belastprijs geen betekenis toekomt aan de inkoopprijs die aan de leverancier betaald is. Met andere woorden: als aan het verschil tussen de daadwerkelijke inkoopprijs en de in de belastprijs gehanteerde inkoopprijs geen betekenis toekomt, waarom bestaat deze verrekeningstabel dan? Het hof heeft vastgesteld dat met de tabel daadwerkelijke fouten in de artikeldatabase worden gecorrigeerd, zodat deze tabel niet aan ’s hofs uitleg van de belastprijs afdoet.
daadwerkelijke fouten” en betoogt dat daarom het oordeel dat de tabel niet aan ’s hofs uitleg van de belastprijs afdoet, onbegrijpelijk is. De klacht mist doel. Het hof heeft een en ander kennelijk zo begrepen dat de artikelendatabase, waar de belastprijs op wordt gebaseerd, soms fouten bevat. Het gaat dan, zo begrijp ik het althans, niet zozeer om alle gevallen waarin de in de artikelendatabase opgenomen inkoopprijs afwijkt van de daadwerkelijke inkoopprijs, want dat is op zichzelf in de lezing van het hof niet van betekenis voor de belastprijs. Met “
daadwerkelijke fouten” doelt het hof mijns inziens op gevallen als het bekende ‘nulletje teveel’ in de database – waardoor de pot pindakaas € 9,80 kost in plaats van 98 cent – of waar de prijs voor een literverpakking is opgenomen waar dat de prijs voor een halve liter moest zijn. Ik noem maar wat voorbeelden. Als de betreffende tabel zo wordt begrepen, is ’s hofs oordeel dat deze tabel niet afdoet aan de beslissing dat de daadwerkelijk betaalde inkoopprijs voor de belastprijs niet relevant is, niet onbegrijpelijk. Evenmin was het hof gehouden om precies af te bakenen welke “
daadwerkelijke fouten” wel of niet in deze tabel thuishoren. Immers onderzocht het hof in rov. 3.43 slechts of het bestaan van de tabel afdoet aan het eerdere oordeel dat aan de daadwerkelijke inkoopprijs geen betekenis toekomt.
Subonderdeel 4.22faalt.
Subonderdeel 4.24richt zich tegen rov. 4.67 met een klacht die op de subonderdelen 4.1-4.22 voortbouwt.
Subonderdeel 4.25ten slotte richt zich tegen de rov. 4.48 en 4.51 met een klacht die op de subonderdelen 4.1-4.22 voortbouwt. De subonderdelen slagen voor zover zij voortbouwen op slagende subonderdelen (zie de slotsom van onderdeel 4 hierna).
onderdeel 4is dat de subonderdelen 4.2 tot en met 4.11, 4.15 tot en met 4.17 en 4.23 tot en met 4.25 (gedeeltelijk) slagen. Slotsom van
onderdeel 3, dat ook in deze paragraaf nog aan de orde kwam, is dat subonderdeel 3.1 gedeeltelijk slaagt.
subonderdeel 5.1bouwt op die subonderdelen 4.1-4.22 voort en slaagt in het spoor daarvan.
Subonderdeel 5.2leidt niet tot cassatie.
onjuiste prijs” (als bedoeld in de post “
prijsverschillen” (hiervoor randnummer 3.4.32), zodat het terecht is dat AH een ADR niet (meer) als prijsverschil verrekende.
Subonderdeel 5.3bestrijdt dat oordeel met twee klachten. De eerste klacht bouwt voort op subonderdeel 4.22 (hiervoor randnummer 3.4.32) en faalt in het spoor daarvan. Volgens de tweede klacht van het subonderdeel is onbegrijpelijk het oordeel dat bij een ADR geen sprake is van een “
onjuiste prijs”. Zoals ik hiervoor (randnummer 4.3.33) heb betoogd, heeft het hof bij de tabel ‘prijsverschil’ mijns inziens het oog gehad op correctie van onjuiste opnames in de artikelendatabase (het bekende ‘nulletje teveel’ en dergelijke) en niet op correcties vanwege bonussen, kortingen en dergelijke. Die uitleg is niet zonder meer onbegrijpelijk.
Subonderdeel 5.3faalt.
prijsverschillen” werd verrekend. Het subonderdeel betoogt dat in dat licht onbegrijpelijk is dat het hof bij de uitleg van het begrip ‘belastprijs’ wel doorslaggevende waarde heeft gehecht aan de feitelijke uitvoering van de overeenkomst door partijen, maar in dit geval niet. Waar het hof heeft overwogen dat “
het terecht is dat AH een ADR niet (meer) als prijsverschillen verrekende”, impliceert deze overweging inderdaad dat dit voorheen wel gebeurde, maar daarmee heeft het hof nog niet vastgesteld dat partijen
jarenlang(als in: bestendig) het door AHF gerealiseerde ADR onder de post “
prijsverschillen” verrekenden. Nu het hof dit dus niet als feit heeft vastgesteld, mist de klacht feitelijke grondslag, [93] zodat
subonderdeel 5.4vergeefs is voorgesteld.
onderdeel 5aldus gedeeltelijk slaagt.
uitleg verrekeningsgrondslag onverdeelde marge
door Franchisenemer gerealiseerde Albert Heijn-omzet.” De eerste standaard-franchiseovereenkomst van 1989 hanteerde in artikel 7 reeds Pro dezelfde frase. Uit het feit dat elders in de FO, namelijk in Bijlage III onder I (hoofdstuk Franchisefee) als grondslag voor de te betalen fee een andere omzetdefinitie staat vermeld, namelijk de “
door de Franchisenemer gerealiseerde consumentenomzet exclusief BTW” leidt het hof af dat met de term “Albert Heijn-omzet” in artikel 7 bewust Pro van het begrip “consumentenomzet” is afgeweken.
in de afrekening onverdeelde marge gehanteerde verhouding tussen omzet eigen filialen eningestuwde omzet franchisewinkels[onderstreping hof]
juist is berekend.” Deze zinsnede is vanaf het jaar 2004 ook in de UNP-rapporten overgenomen. In de bijlagen B bij die rapporten, waarin melding wordt gedaan van de “
Franchise afrekening onverdeelde marge” staat in de berekening die tot vaststelling van het verrekenbare bedrag leidt eveneens vermeld: “
Instuwingsomzet franchise als percentage van totaal omzet AH BV”. Met de ingestuwde omzet wordt dus niet de consumentenomzet van de franchisenemers, maar de door AH aan de franchisenemers geleverde omzet bedoeld. Uit de werkzaamheden die de accountants hebben verricht ter vaststelling en controle van de juistheid van de berekening van de onverdeelde marge en de bij de verdeling daarvan in aanmerking te nemen Albert Heijn-omzet, blijkt eveneens dat zij in dat kader zijn uitgegaan van de consumentenomzet van de eigen AH-filialen en de omzet die is gemaakt met de levering/instuwing aan de franchisenemers, niet hun consumentenomzet.
in de verdeelsleutel voor de onverdeelde marge (...) de netto omzet van de franchisenemers [wordt] meegenomen tegen een bruto omzet van de[hof: eigen]
winkels, wat resulteert in een lagere verdeelsleutel.”Zij stellen dat door die verdeelsleutel “appels met peren” worden vergeleken en dat artikel 7 FO Pro zich daartegen verzet. Het hof overweegt dat, wat daar ook verder van zij, VAHFR c.s. vanaf (in elk geval) het jaar 2004 uit de accountantsrapporten had kunnen afleiden welke grondslag AH hanteerde en de accountants juist achtten. Hetgeen hiervoor onder 3.39 is overwogen brengt mede dat VAHFR c.s. aan de uitleg die sedertdien aan de overeenkomst is gegeven zijn gebonden.”
Subonderdeel 6.1 en 6.2lenen zich voor gezamenlijke behandeling. VAHFR c.s. betogen daarin onder meer (subonderdeel 6.2) dat het hof in rov. 3.53 heeft miskend dat het oordeel in rov. 3.16 inhoudt dat het hof de verklaring van [betrokkene 3] minder accuraat acht op het punt van de vraag of met “
AH-omzet” de consumentenomzet of de instuwingsomzet wordt bedoeld. Dat het hof de verklaring van [betrokkene 3] op het punt van de BTW minder accuraat heeft geacht, volgt niet uit rov. 3.16, zo betoogt het subonderdeel. [94]
gekoppeld aan de consumentenomzet inclusief BTW”, terwijl uit de tekst van die overeenkomst zou blijken dat daarin gerept wordt van iets anders, namelijk de “
AH-omzet”. Het hof heeft daarbij verwezen naar rov. 3.51 e.v. In rov. 3.51 heeft het hof geoordeeld dat met de “
AH-omzet” niet op de consumentenomzet wordt gedoeld. De BTW-kwestie komt in rov. 3.51 en 3.52 (nog) niet aan de orde. Wel in rov. 3.53, maar daar heeft het hof meteen overwogen dat VAHFR c.s. zich niet op de verklaring van [betrokkene 3] kunnen beroepen “
op grond van het onder 3.16 overwogene”. Nu het hof tot op dat moment nog niet heeft vastgesteld dat [betrokkene 3] op het BTW punt minder accuraat is geweest (immers noch in rov. 3.16 en ook niet in rov. 3.51-3.52, waarnaar rov. 3.16 verwijst), neigt dat naar een cirkelredenering.
exclusief BTW”, een relevant feit is. [96]
exclusief BTW” is. [97] Dat het hof hier het oog op heeft gehad, lees ik echter niet in rov. 3.53. De betreffende overweging laat zich bezwaarlijk anders lezen dan dat het hof in de veronderstelling verkeerde dat in de FO ten aanzien van de onverdeelde marge – die is immers aan de orde in de rov. 3.51-3.54 – uitdrukkelijk “
exclusief BTW” staat. Dat dat niet juist is, is als gezegd tussen partijen niet in geschil. Daarmee kan het oordeel aan het slot van rov. 3.53 dat VAHFR c.s. niet aan hun stelplicht hebben voldaan ook geen stand houden, nu dit voortbouwt op de onjuiste veronderstelling van het hof.
subonderdelen 6.1 en 6.2mijns inziens terecht betogen dat rov. 3.53 onbegrijpelijk is.
subonderdeel 6.3richten VAHFR c.s. klachten tegen rov. 3.53. Het subonderdeel betoogt dat de stelling dat als grondslag voor de verdeling van de onverdeelde marge de omzet
inclusiefBTW moet worden genomen, onvoldoende door ‘AH c.s. is betwist en het hof aldus buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. ‘AH c.s. stellen hiertegenover dat zij wel degelijk hebben gesteld dat de instuwingsomzet exclusief BTW moet worden genomen.
inclusiefBTW moet worden gerekend. [99] ‘AH c.s. hebben er daarentegen op gewezen dat zij (in elk geval) bij pleidooi voor het hof hebben gesteld dat het gaat om de instuwingsomzet
exclusiefBTW. [100] Ik meen dat goed voorstelbaar is dat partijen in een omvangrijke zaak als deze wel eens ‘inclusief BTW’ zeggen (of schrijven) waar ‘exclusief BTW’ is bedoeld, en omgekeerd. In dat licht bezien hoefde het hof niet zonder meer in de door VAHFR c.s. bedoelde passages een erkenning van ‘AH c.s. te lezen en mocht het – gezien het feit dat ‘AH c.s. (ook) ‘exclusief BTW’ betoogd hebben – veronderstellen dat de vraag of gerekend moest worden met of zonder BTW, deel uitmaakte van het geschil. Aldus kan niet worden geoordeeld dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, zodat
subonderdeel 6.3doel mist.
Subonderdeel 6.4is derhalve vergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 6.7mist doel.
Subonderdeel 6.8betoogt dat het hof het standpunt ten onrechte beperkter heeft uitgelegd, namelijk als zouden VAHFR c.s. hebben betoogd dat de consumentenomzet per se inclusief BTW als grondslag zou moeten gelden.
Subonderdeel 6.9betoogt dat het hof, als het hof het standpunt van VAHFR c.s. niet beperkter heeft uitgelegd, zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd door niet in te gaan op deze stelling. De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
subonderdelen 6.8 en 6.9terecht betogen dat het hof de standpunten van VAHFR c.s. ten aanzien van de BTW-kwestie hetzij te beperkt heeft opgevat, hetzij op het punt van ‘beide inclusief of beide exclusief’ geen, althans geen voldoende gemotiveerd, oordeel heeft gegeven, zodat de subonderdelen slagen.
subonderdeel 6.10, die zich richt tegen de afwijzing van vordering CC in rov. 4.64.
onderdeel 6is dat de subonderdelen 6.1, 6.2, 6.6 en 6.8-6.10 slagen.
Subonderdeel 7.1dient te falen.
subonderdeel 7.2richt zich met een algemene voortbouwklacht tegen een zeer groot aantal rechtsoverwegingen, namelijk rov. 4.1-4.96. Anders dan bij subonderdeel 7.1 meen ik dat deze klacht de toets van aan een cassatiemiddel te stellen eisen – in dit concrete geval – kan doorstaan. Ik neem daarbij in overweging dat het bestreden arrest zeer omvangrijk arrest is. Het hof heeft daarbij gekozen voor een opbouw waarin in hoofdstuk 3 de materiële beoordelingen zijn opgenomen en in hoofdstuk 4, puntsgewijs en grotendeels met enkel verwijzingen naar hoofdstuk 3, de gevolgen van die beoordelingen voor de vorderingen van VAHFR c.s. Voor zover enige rechtsoverwegingen uit hoofdstuk 3 van het arrest niet in stand kunnen blijven, geldt logischerwijs hetzelfde voor conclusies uit hoofdstuk 4 van het arrest, voor zover deze conclusies enkel zijn gegrond op een verwijzing naar de rechtsoverwegingen uit hoofdstuk 3.
subonderdeel 7.2slaagt voor zover de in rov. 4.1-4.96 opgenomen oordelen (afwijzingen van de vorderingen van VAHFR c.s.) enkel zijn gegrond op verwijzing naar overwegingen in hoofdstuk 3 van het arrest waartegen door VAHFR c.s. slagende klachten zijn geformuleerd.